Conclusie · Civiel recht
Parket bij de Hoge Raad, 28 april 2000
ECLI:NL:PHR:2000:AA5782Zaaknummer R00/006HR
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 28 april 2000
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- R00/006HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
-
Volledige tekst
Nr. R 00/006 HR Mr. Mok
(ontbinding a.o.) Conclusie inzake
Parket, 26 januari 2000 HERMANS-MAASDAL B.V.
Edelhoogachtbaar college,
1. Gielkens, een werknemer van verzoekster van cassatie, Hermans-Maasdal B.V, heeft de kantonrechter te Heerlen verzocht om ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst met Hermans-Maasdal.
Na een tussenbeschikking heeft de kantonrechter bij beschikking van 21 mei 1999 het verzoek ingewilligd, onder toekenning van een vergoeding ten laste van Hermans-Maasdal aan Gielkens van ƒ 200.000.
2. Van deze uitspraak is Hermans-Maasdal in appel gekomen bij de rechtbank te Maastricht.
Omdat de kantonrechter volgens verzoekster art. 7:685 BW buiten toepassing had gelaten of buiten het toepassingsgebied van dat artikel was getreden, heeft de rechtbank Hermans-Maasdal ontvankelijk in haar beroep geacht.
Bij beschikking van 11 november 1999 heeft de rechtbank het hoger beroep verworpen.
3. Hermans-Maasdal heeft tegen deze beschikking (tijdig) beroep in cassatie ingesteld bij een op 11 januari 2000 bij de Hoge Raad ingekomen schriftuur, getekend door “[…], directeur”.
4. Cassatieverzoekschriften dienen ingevolge art. 426a Rv ondertekend te worden door een advocaat bij de Hoge Raad, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit1.
5. Het (uitsluitend) door de directeur van verzoekster getekende cassatierekest klaagt over schending van grondwettelijke rechten en van fundamentele rechtsbeginselen (waaronder van de beginselen van hoor en wederhoor, van onpartijdige behandeling, dat het bewijs een essentieel onderdeel is van het recht en van de motiveringsplicht).
Bij mijn weten bestaat geen bijzondere wettelijke bepaling waaruit voortvloeit dat een cassatieverzoekschrift dat zodanige klachten bevat niet ondertekend behoeft te zijn door een advocaat. Bijgevolg kan verzoekster niet in haar beroep worden ontvangen.
6. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 7:685 BW
- Artikel 426a Rv meer uitspraken over dit artikel
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2000:AA5782 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2000:AA5782 Hoge Raad, 28 april 2000 (civiel recht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.