Conclusie · Strafrecht

Parket bij de Hoge Raad, 6 oktober 1998

ECLI:NL:PHR:1998:ZD3887Zaaknummer 108.505

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
6 oktober 1998
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
108.505
Rechtsgebied
Strafrecht
Soort
Conclusie

Inhoudsindicatie

-

Conclusie inzake:

[verzoeker]

Edelhoogachtbaar College,

1. Aan verzoeker is door het gerechtshof te Leeuwarden een geldboete van f 1500, subsidiair 15 dagen hechtenis, waarvan f 500, subsidiair vijf dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, opgelegd, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van zes maanden.

2. Namens verzoeker heeft mr S.C.M. Asselbergs, advocaat te Bergen op Zoom, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel bevat de klacht dat het hof een namens verzoeker in eerste aanleg gevoerd verweer ten onrechte heeft gepasseerd, althans heeft verworpen op gronden die de verwerping niet kunnen dragen.

4. In eerste aanleg is namens verzoeker aangevoerd dat de mededeling van de uitslag van de bloedproef niet in het proces-verbaal aanwezig is. De politierechter heeft niet uitdrukkelijk gerespondeerd op bedoeld verweer. In hoger beroep is verzoeker verschenen, bijgestaan door zijn raadsman. Door noch namens verzoeker is bedoeld verweer in hoger beroep gehandhaafd. Het hof was derhalve niet gehouden in te gaan op het verweer. De rechter in hoger beroep is immers niet gehouden in te gaan op een verweer dat in eerste aanleg is gevoerd, indien dat verweer in hoger beroep niet wordt gehandhaafd (HR NJ 1949, 454; NJ 1974, 208; NJ 1991, 202; Von Brucken Fock/- Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 3e druk, p. 227). Reeds op deze grond faalt het middel.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Volledige tekst

Nr. 108.505

Zitting 6 oktober 1998

Mr Fokkens

Conclusie inzake:

[verzoeker]

Edelhoogachtbaar College,

1. Aan verzoeker is door het gerechtshof te Leeuwarden een geldboete van f 1500, subsidiair 15 dagen hechtenis, waarvan f 500, subsidiair vijf dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, opgelegd, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van zes maanden.

2. Namens verzoeker heeft mr S.C.M. Asselbergs, advocaat te Bergen op Zoom, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel bevat de klacht dat het hof een namens verzoeker in eerste aanleg gevoerd verweer ten onrechte heeft gepasseerd, althans heeft verworpen op gronden die de verwerping niet kunnen dragen.

4. In eerste aanleg is namens verzoeker aangevoerd dat de mededeling van de uitslag van de bloedproef niet in het proces-verbaal aanwezig is. De politierechter heeft niet uitdrukkelijk gerespondeerd op bedoeld verweer. In hoger beroep is verzoeker verschenen, bijgestaan door zijn raadsman. Door noch namens verzoeker is bedoeld verweer in hoger beroep gehandhaafd. Het hof was derhalve niet gehouden in te gaan op het verweer. De rechter in hoger beroep is immers niet gehouden in te gaan op een verweer dat in eerste aanleg is gevoerd, indien dat verweer in hoger beroep niet wordt gehandhaafd (HR NJ 1949, 454; NJ 1974, 208; NJ 1991, 202; Von Brucken Fock/- Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 3e druk, p. 227). Reeds op deze grond faalt het middel.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.