Conclusie · Strafrecht
Parket bij de Hoge Raad, 24 november 1998
ECLI:NL:PHR:1998:ZD3875Zaaknummer 108.232
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 24 november 1998
- Publicatiedatum
- 15 mei 2026
- Zaaknummer
- 108.232
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
-
Conclusie inzake:
[verzoeker]
Edelhoogachtbaar College,
1. Aan verzoeker is door de arrondissementsrechtbank te Groningen een geldboete van f 380, subsidiair vier dagen hechtenis opgelegd wegens "overtreding van het bepaalde bij artikel 21, aanhef en onder a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990".
2. Namens verzoeker heeft mr H.F. Brink, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. De middelen behoeven geen bespreking om de volgende reden. De mededeling uitspraak hoger beroep is op 4 maart 1996 aan verzoeker - niet in persoon - betekend. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat gedurende twee jaren volgend op evengenoemde datum enige daad van vervolging is verricht. De in art. 70, aanhef en onder 1°, Sr bepaalde termijn voor verjaring is derhalve vervuld, zodat het recht tot strafvordering is vervallen.
Deze conclusie strekt er toe dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd behalve voorzover daarbij het vonnis van de kantonrechter is vernietigd en dat de officier van justitie alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Volledige tekst
Nr. 108.232
Zitting 6 oktober 1998
Mr Fokkens
Conclusie inzake:
[verzoeker]
Edelhoogachtbaar College,
1. Aan verzoeker is door de arrondissementsrechtbank te Groningen een geldboete van f 380, subsidiair vier dagen hechtenis opgelegd wegens "overtreding van het bepaalde bij artikel 21, aanhef en onder a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990".
2. Namens verzoeker heeft mr H.F. Brink, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. De middelen behoeven geen bespreking om de volgende reden. De mededeling uitspraak hoger beroep is op 4 maart 1996 aan verzoeker - niet in persoon - betekend. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat gedurende twee jaren volgend op evengenoemde datum enige daad van vervolging is verricht. De in art. 70, aanhef en onder 1°, Sr bepaalde termijn voor verjaring is derhalve vervuld, zodat het recht tot strafvordering is vervallen.
Deze conclusie strekt er toe dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd behalve voorzover daarbij het vonnis van de kantonrechter is vernietigd en dat de officier van justitie alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:1998:ZD3875 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:1998:ZD3875 Hoge Raad, 24 november 1998 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.