Conclusie · Belastingrecht
Parket bij de Hoge Raad, 25 januari 1995
ECLI:NL:PHR:1995:AA3048Zaaknummer 29475
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 25 januari 1995
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 29475
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
-
Volledige tekst
Mr. Verburg
Nr. 29.475 Conclusie inzake
Vennootschapsbelasting 1984 DE STAATSSECRETARIS
Derde Kamer A VAN FINANCIEN
Parket, 28 juni 1994 tegen
X INC.
Edelhoogachtbaar College,
1. X Inc. (hierna te noemen: belanghebbende) is op 14 september 1981 opgericht naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika, t.w. naar dat van de Staat A.
Belanghebbende maakte deel uit van het Nederlandse verzekeringsconcern E N.V., welk concern in december 1983 is voortgekomen uit de fusie van C en L.
Voornoemde verzekeraars hadden (en hebben) grote belangen in de Verenigde Staten van Amerika.
Tevoren, d.w.z. vóór de fusie, behoorde belanghebbende tot de C-groep. Het gehele aandelenkapitaal van X was vanaf 22 december 1982 in handen van B B.V., een 100%-dochter van C N.V., gevestigd te R.
De aandelen X werden door B verkregen tegen inbreng van het activum 'Promissory Notes'(*), een vordering op de koper van een aan B in eigendom toebehorend onroerend goed in New York.
Voorts verwierf belanghebbende een aandelenpakket in een grote Amerikaanse verzekeringsmaatschappij D Inc.
Bedroeg deze deelneming aanvankelijk dertig percent, door het jaarlijks uitbrengen van een tenderbod, heeft belanghebbende haar deelneming in D geleidelijk vergroot.
De financiering is geschied met behulp van jegens banken aangegane schulden.
De baten van belanghebbende bestonden in dividenden D en interest op de Notes, waartegenover rentelasten de winst drukten. Deze geldstromen zouden in de Verenigde Staten zijn te situeren (vgl. uitspraak Hof onder 2.6.4).
(*) De term voor verhandelbare schuldbekentenissen.
2. De Inspecteur der vennootschapsbelasting te P heeft aan belanghebbende een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 1984 opgelegd, gedagtekend 30 december 1989, naar een belastbaar bedrag van f 7.944.070,-.
Dat aan belanghebbende in plaats van een primitieve aanslag een navorderingsaanslag is opgelegd, vloeit voort uit het feit dat ten tijde van het opleggen van de bestreden aanslag de termijn bedoeld in artikel 11 lid 3 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) reeds was verstreken.
3. De Inspecteur heeft de navorderingsaanslag gesteld op naam van X Inc., p/a E N.V. te Q.
Voor de berekening van het belastbaar bedrag heeft de Inspecteur zich blijkens zijn brief d.d. 20 december 1989 (zie bijlage 24 in de inventaris van stukken, ontvangen van het Gerechtshof te Amsterdam) gebaseerd op gegevens, ontleend aan het commercieel jaarverslag 1984 van belanghebbende.
Met een beroep op artikel 13 lid 4 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Vpb.'69), zoals dat luidde in 1984, heeft de Inspecteur de interestlast niet in aftrek toegelaten.
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de leiding van X geheel in Nederland werd uitgeoefend en dat X daarom in Nederland was gevestigd, althans in Nederland een vaste inrichting had.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 3 Verdrag tussen het Koninkrijk der … en bepaalde andere belastingen
- Artikel 5 Verdrag tussen het Koninkrijk der … en bepaalde andere belastingen
- Artikel 11 AWR meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 13 Vpb meer uitspraken over dit artikel
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:1995:AA3048 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:1995:AA3048 Hoge Raad, 25 januari 1995 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.