Conclusie · Strafrecht
Parket bij de Hoge Raad, 23 juni 1987
ECLI:NL:PHR:1987:AC9904Zaaknummer 1990
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 23 juni 1987
- Publicatiedatum
- 8 december 2020
- Zaaknummer
- 1990
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
Kwestie van privaatrechtelijke aard. Deze zaak behoort niet tot de competentie van de raadkamer.
Conclusie inzake
[klaagster]
Edelhoogachtbaar College,
In deze zaak, waarin de Rechtbank ongegrond heeft verklaard een beklag van requirante tegen de inbeslagneming onder [betrokkene 1] (van inboedelgoederen die deze laatste bij haar zou hebben ontvreemd), mitsgaders het verzoek tot teruggave van deze goederen aan requirante tegen welke beschikking zij zich van beroep in cassatie heeft voorzien, is namens haar één middel van cassatie voorgesteld.
Aangevoerd wordt, dat, nu deze goederen door [betrokkene 1] zijn gestolen, het op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk verantwoord is, dat de goederen aan haar zouden worden teruggegeven.
Het komt mij voor, dat het middel faalt, aangezien de Rechtbank heeft vastgesteld, dat de behandeling in raadkamer zich er niet voor leent de onderliggende civielrechtelijke rechtsverhoudingen te onderzoeken. Ik houd het ervoor, dat de Rechtbank van oordeel is, dat zich hier wezenlijk een privaatrechtelijk geschil tussen requirante en voormelde [betrokkene 1] voordoet, en dat het mitsdien juist niet op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk verantwoord zou zijn de goederen aan requirante terug te geven. De Rechtbank heeft geredelijk aldus kunnen oordelen, omdat de raadsvrouw van requirante tijdens het onderzoek in raadkamer stelde, dat het hier (inderdaad) betrof een kwestie van privaatrechtelijke aard, en deze zaak niet tot de competentie van de raadkamer behoorde. Vgl. HR 18 januari 1983, NJ 1983, 445.
Het middel niet aannemelijk achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Volledige tekst
ag
Nr. 1990 request
Parket, 20 januari 1987
Mr. Remmelink
Conclusie inzake
[klaagster]
Edelhoogachtbaar College,
In deze zaak, waarin de Rechtbank ongegrond heeft verklaard een beklag van requirante tegen de inbeslagneming onder [betrokkene 1] (van inboedelgoederen die deze laatste bij haar zou hebben ontvreemd), mitsgaders het verzoek tot teruggave van deze goederen aan requirante tegen welke beschikking zij zich van beroep in cassatie heeft voorzien, is namens haar één middel van cassatie voorgesteld.
Aangevoerd wordt, dat, nu deze goederen door [betrokkene 1] zijn gestolen, het op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk verantwoord is, dat de goederen aan haar zouden worden teruggegeven.
Het komt mij voor, dat het middel faalt, aangezien de Rechtbank heeft vastgesteld, dat de behandeling in raadkamer zich er niet voor leent de onderliggende civielrechtelijke rechtsverhoudingen te onderzoeken. Ik houd het ervoor, dat de Rechtbank van oordeel is, dat zich hier wezenlijk een privaatrechtelijk geschil tussen requirante en voormelde [betrokkene 1] voordoet, en dat het mitsdien juist niet op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk verantwoord zou zijn de goederen aan requirante terug te geven. De Rechtbank heeft geredelijk aldus kunnen oordelen, omdat de raadsvrouw van requirante tijdens het onderzoek in raadkamer stelde, dat het hier (inderdaad) betrof een kwestie van privaatrechtelijke aard, en deze zaak niet tot de competentie van de raadkamer behoorde. Vgl. HR 18 januari 1983, NJ 1983, 445.
Het middel niet aannemelijk achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:1987:AC9904 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:1987:AC9904 Hoge Raad, 23 juni 1987 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.