Conclusie · Strafrecht
Parket bij de Hoge Raad, 9 april 1985
ECLI:NL:PHR:1985:AC0823Zaaknummer 78202
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 9 april 1985
- Publicatiedatum
- 2 februari 2024
- Zaaknummer
- 78202
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
De opvatting dat, na aanvankelijke weigering, de verdachte alsnog recht zou hebben op een bloedonderzoek vindt geen steun in het recht.
Conclusie inzake
[verdachte]
Edelhoogachtbare Heren,
In deze zaak waarin het Hof requirant in appel heeft veroordeeld terzake van ‘’Handelen in strijd met art. 33a, derde lid WVW’’ (bloedproefweigering) tot een geldboete van ƒ 1.500,-, subs. 30 dagen hechtenis + ontzegging van de rijbevoegdheid voor de tijd van 9 maanden voorwaardelijk (proeftijd 2 jaar + bijz. voorw.), tegen welk arrest hij zich van beroep in cassatie heeft voorzien, is namens hem één middel van cassatie voorgesteld, waarin wordt aangevoerd dat het Hof ten onrechte zou hebben geoordeeld, dat van bloedproefweigering kan worden gesproken, ook al heeft requirant nadien te kennen gegeven, dat hij daarop wenste terug te komen enz.
Het middel faalt, dunkt mij, aangezien Uw Raad in zijn arrest van 12 december 1978, NJ 1979, no. 208 heeft beslist, dat wie eenmaal geweigerd heeft niet recht erop heeft dat alsnog een bloedonderzoek wordt verricht.
Ook de strafmotivering waarover requirant in dit verband mede klaagt lijkt mij correct, want begrijpelijk. Met name blijkt uit de voorwaardelijkheid van de ontzegging van voldoende begrip voor requirants problemen.
Het middel niet aannemelijk achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Volledige tekst
na.
Nr. 78.202
Zitting 26 februari 1985
Mr. Remmelink
Conclusie inzake
[verdachte]
Edelhoogachtbare Heren,
In deze zaak waarin het Hof requirant in appel heeft veroordeeld terzake van ‘’Handelen in strijd met art. 33a, derde lid WVW’’ (bloedproefweigering) tot een geldboete van ƒ 1.500,-, subs. 30 dagen hechtenis + ontzegging van de rijbevoegdheid voor de tijd van 9 maanden voorwaardelijk (proeftijd 2 jaar + bijz. voorw.), tegen welk arrest hij zich van beroep in cassatie heeft voorzien, is namens hem één middel van cassatie voorgesteld, waarin wordt aangevoerd dat het Hof ten onrechte zou hebben geoordeeld, dat van bloedproefweigering kan worden gesproken, ook al heeft requirant nadien te kennen gegeven, dat hij daarop wenste terug te komen enz.
Het middel faalt, dunkt mij, aangezien Uw Raad in zijn arrest van 12 december 1978, NJ 1979, no. 208 heeft beslist, dat wie eenmaal geweigerd heeft niet recht erop heeft dat alsnog een bloedonderzoek wordt verricht.
Ook de strafmotivering waarover requirant in dit verband mede klaagt lijkt mij correct, want begrijpelijk. Met name blijkt uit de voorwaardelijkheid van de ontzegging van voldoende begrip voor requirants problemen.
Het middel niet aannemelijk achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:1985:AC0823 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:1985:AC0823 Hoge Raad, 9 april 1985 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.