Conclusie · Strafrecht

Parket bij de Hoge Raad, 24 juni 1980

ECLI:NL:PHR:1980:AC6999Zaaknummer 71.843

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24 juni 1980
Publicatiedatum
23 september 2020
Zaaknummer
71.843
Rechtsgebied
Strafrecht
Soort
Conclusie

Inhoudsindicatie

-

Conclusie inzake:

[rekwirant]

Edelhoogachtbare Heren,

Het Hof heeft met verbetering van gronden het vonnis van de Rechtbank bevestigd, waarbij rekwirant, die zich van beroep in cassatie heeft voorzien, terzake van oplichting en valsheid in geschrift is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden, waarvan één voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.

Namens rekwirant zijn op de wijze als is voorzien in art. 439 lid 2 Sv. drie middelen van cassatie voorgedragen.

De voorgedragen middelen acht ik niet gegrond.

Het eerste middel miskent, dat de selectie en de waardering van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Men zie laatstelijk de arresten van Uw Raad van 6 mei 1980, nr. 71.377 en 71.384M. Daartegen kan met niet met vrucht opkomen in cassatie. Voorzover het middel blijkens de toelichting wil klagen over het feit, dat het telastegelegde ten onrechte bewezen is verklaard, geldt hetzelfde als hiervoor is gezegd.

Daarop zal tevens het tweede middel moeten afstuiten. Daarbij geldt de lijst met inkomsten en daarop vermelde gefingeerde uitgaven naar zijn aard als bestemd om van de door rekwirant verrichtte rechtshandelingen te doen blijken tegenover degeen, jegens wie hij verantwoording van zijn handelingen moest afleggen. Men zie Noyon-Langemeijer-Remmelink, ad art. 225, aant. 3 (p. 629 in fine), aant. 5 en het door rekwirant bedoelde arret H.R. 14 mei 1957, NJ 1957, 472, p. 876 lk., met noot van Röling, sub 2.

Het derde middel mist feitelijke grondslag, nu het Hof op in cassatie onaantastbare gronden heeft aangenomen, dat rekwirant wel toestemming tot huiszoeking heeft gegeven. De Rechtbank is op het verweer, dat het bewijsmateriaal onrechtmatig verkregen zou zijn, ingegaan, en heeft dit weerlegd op gronden, waarmede het Hof zich heeft verenigd.

Ook ambtshalve geen gronden aanwezig achtend, die tot vernietiging van het bestreden arrest zouden moeten leiden, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Volledige tekst

pvh

Nr. 71.843

Zitting 24 juni 1980 bij vervroeging

Mr. Haak

Conclusie inzake:

[rekwirant]

Edelhoogachtbare Heren,

Het Hof heeft met verbetering van gronden het vonnis van de Rechtbank bevestigd, waarbij rekwirant, die zich van beroep in cassatie heeft voorzien, terzake van oplichting en valsheid in geschrift is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden, waarvan één voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.

Namens rekwirant zijn op de wijze als is voorzien in art. 439 lid 2 Sv. drie middelen van cassatie voorgedragen.

De voorgedragen middelen acht ik niet gegrond.

Het eerste middel miskent, dat de selectie en de waardering van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Men zie laatstelijk de arresten van Uw Raad van 6 mei 1980, nr. 71.377 en 71.384M. Daartegen kan met niet met vrucht opkomen in cassatie. Voorzover het middel blijkens de toelichting wil klagen over het feit, dat het telastegelegde ten onrechte bewezen is verklaard, geldt hetzelfde als hiervoor is gezegd.

Daarop zal tevens het tweede middel moeten afstuiten. Daarbij geldt de lijst met inkomsten en daarop vermelde gefingeerde uitgaven naar zijn aard als bestemd om van de door rekwirant verrichtte rechtshandelingen te doen blijken tegenover degeen, jegens wie hij verantwoording van zijn handelingen moest afleggen. Men zie Noyon-Langemeijer-Remmelink, ad art. 225, aant. 3 (p. 629 in fine), aant. 5 en het door rekwirant bedoelde arret H.R. 14 mei 1957, NJ 1957, 472, p. 876 lk., met noot van Röling, sub 2.

Het derde middel mist feitelijke grondslag, nu het Hof op in cassatie onaantastbare gronden heeft aangenomen, dat rekwirant wel toestemming tot huiszoeking heeft gegeven. De Rechtbank is op het verweer, dat het bewijsmateriaal onrechtmatig verkregen zou zijn, ingegaan, en heeft dit weerlegd op gronden, waarmede het Hof zich heeft verenigd.

Ook ambtshalve geen gronden aanwezig achtend, die tot vernietiging van het bestreden arrest zouden moeten leiden, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.