Conclusie · Strafrecht

Parket bij de Hoge Raad, 19 december 1887

ECLI:NL:PHR:1887:1Zaaknummer 222

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19 december 1887
Publicatiedatum
17 februari 2023
Zaaknummer
222
Rechtsgebied
Strafrecht
Soort
Conclusie

Inhoudsindicatie

Op strand aangespoelde balk meegenomen door landbouwer. Strafvervolging. Is de landbouwer schuldig aan diefstal, omdat de balk ingevolge art. 551 tot en met 558 Wetboek van Koophandel moet worden aangemerkt als toebehorend aan een ander? Nee, uit de wet volgt niet dat gestrande goederen, voordat zij ter bewaring zijn aangegeven aan de daartoe bevoegde ambtenaren, steeds een eigenaar hebben. Ook voor strandvondsten geldt dat uit hun toestand, uit de merken en kentekenen die zij mochten dragen, of uit andere bewezen omstandigheden alleen kan blijken of zij een eigenaar hebben en dus het voorwerp van diefstal kunnen uitmaken. De originele conclusie is helaas niet meer voorhanden. De tekst van de gepubliceerde conclusie is afkomstig uit het Weekblad van het Regt (no. 5515). Deze tekst is verkregen uit de originele conclusie van de Hoge Raad. De conclusie uit het Weekblad van het Regt is helaas niet volledig: datum uitspraak en afsluiting ontbreken.

Volledige tekst

Advocaat-Generaal Gregory.

Edel Hoog Achtbare Heeren, President en Raden!

Twee middelen van cassatie zijn bij pleidooi voorgesteld. Zij luidden als volgt: ‘’Verkeerde toepassing: 1°. van artikel 391 Wetboek van Strafvordering op grond, dat niet door wettige bewijsmiddelen is bewezen, dat het weggenomen goed behoorde aan een ander, vermits het Hof, als bewezen aannemende, dat de balk in quaestie was gestrand goed en daaruit dan bij gevolgtrekking afleidende en ook als bewezen aannemende, dat die balk een eigenaar had, zijn beslissing deed steunen niet op eene door wettige bewijsmiddelen verkregen overtuiging, doch blootelijk op eene juridische appreciatie, welke door requirant voor onjuist wordt gehouden; 2°. van artikel 310 Wetboek van Strafrecht, op grond dat, terwijl voor eene veroordeeling ter zake van diefstal behoort te zijn bewezen, dat het weggenomen goed aan een ander in eigendom toebehoorde, in deze ontbreekt het bewijs, dat zulks met den balk in quaestie het geval was’’.

Daar er tusschen deze beide middelen een nauw verband bestaat, zal ik ze te zamen behandelen.

De bewering aangaande het ontbreken van wettig bewijs, is m.i. geheel ongegrond.

Bewezen is door bekentenis en aanwijzingen, dat de requirant van het strand een balk, die hem niet toebehoorde, heeft weggenomen, met het oogmerk zich dien wederrechtelijk toe te eigenen. Meer had het Hof in casu niet te onderzoeken. Dat de balk aan een ander toebehoorde, volgde hier noodzakelijk uit het bewezen feit, dat hij niet aan den requirant toebehoorde. Wel leest men in de Memorie van Toelichting: ‘’Ook is het niet toereikend (artikel 379 C.P.), dat het goed den dader niet toebehoort, want de bemachtiging eener aan niemand toebehoorende zaak…..kan in geen geval als diefstal worden aangemerkt’’ (Smidt, III, bl. 463), doch van de daar bedoelde onstrafbaarheid kon in casu alleen dan sprake zijn wanneer men met eene res derelicta te doen had; dat dit echter niet het geval is, werd feitelijk beslist in de overweging van het arrest, dat het hier niet betrof een weinig beduidenden strandvond, maar… een nieuwen gaven balk van aanzienlijke lengte en dikte’’.

Dat het er voor de strafbaarheid niet op aankomt, of gebleken is wie de eigenaar van het weggenomen goed is, leert ook Olshausen, Kommentar zum Strafgesetzbuch für das Deutsche Reich, Berlijn, 1886, II, bl. 882 vgl. no. 10: ‘’Die für das Diebstahlsobjekt erforderliche juristische Eigenschaft (no. 5) erfordert ferner, dass die Sache im Eigenthum eines Anderen als des Thäters, stehe; mit Recht nimmt die gem. M. an, dass es der speziellen Feststellung, werd Eigenthümer sei, nicht bedürfe’’. Hier dus, waar de zaak of aan een ander toebehoorde of eene res derelicta was, kon de rechter, na te hebben beslist, gelijk bij gedaan heeft, dat er aan eene res derelicta niet te denken viel, geheel volstaan met uit te maken, dat de balk in quaestie niet aan den requirant toebehoorde.

Het Hof heeft zich hiermede echter niet tevreden gesteld: uit het bewezen feit namelijk, dat de balk gestrand goed was, heeft het de gevolgtrekking gemaakt, dat dit voorwerp aan een ander toebehoorde. Tegen het maken van deze gevolgtrekking is men opgekomen, als in strijd met de regelen van het wettig bewijs. Ik zal er echter nauwelijks aan behoeven te herinneren, dat, naar de bekende jurisprudentie van dezen Raad, het maken van gevolgtrekkingen uit bewezen feiten den rechter volkomen geoorloofd is. Maar ook tegen de juistheid der gevolgtrekking heeft men bedenkingen. Mij dunkt, dat men moeielijk een zekerder grondslag voor zijn betoog kiezen kan dan dien der wet. En op artikel 551 vlgg. Wetboek van Koophandel is de redeneering van het Hof gebouwd. Naar deze wetsartikelen, is er van strandgoed altijd een eigenaar: alleen is deze veelal niet bekend. Natuurlijk moet die bepaling cum grano salis worden opgevat, in dien zin, dat op genoemden regel eene uitzondering bestaat ingeval het gestrande goed zóó waardeloos is, dat het als res derelicta moet worden beschouwd, b.v. eenige bladen door zeewater onbruikbaar geworden tabak, of wel klaarblijkelijk door den eigenaar is weggeworpen, b.v. eene ledige flesch, een papier eenige aanteekeningen omtrent het lot van den schipbreukeling bevattende. En ten onrechte werd door den geachten pleiter beweerd, dat, naar ’s Hofs leer, gestrand goed nooit eene res derelicta zou kunnen wezen. Het tegendeel toch blijkt uit de overweging, die ik zoo straks aanhaalde, waar implicite het bestaan van de bedoelde uitzondering wordt erkend.

Bij pleidooi heeft men een beroep gedaan op Mr. Kist, ‘’Beginselen van Handelsregt’’ V, bl. 408. Maar bij dezen schrijver zal men juist het tegenovergestelde vinden van hetgeen door des requirants raadsman wordt beweerd. Deze laatste verkondigde de stelling, dat het alleen waarschijnlijk is, dat het strandgoed een eigenaar heeft. En nu zie men wat Mr. Kist (bl. 407 vlg.) zegt: ‘’Wel worden de visschen, de zeedieren, de schelpen of de gesteenten, die de zee mocht opwerpen, als onbeheerd, het eigendom van den eersten bezitnemer (l. 18, Tit., I, L. II, Instit.), doch de in de zee drijvende of door de zee opgeworpene goederen, die of door zeeschepen zijn geworpen om het schip te lichten, of afkomstig zijn van schepen, die schipbreuk geleden hebben, zijn niet onbeheerd, de eigenaar heeft ze niet weggeworpen of verlaten omdat hij ze niet meer hebben wilde (l. 48 Tit. I, L. II, Instit.). De eigenaar wil dergelijke zaken niet kwijt zijn, evenmin als eenige zaak, die hij verloren heeft’’.

Ik acht alzoo de beide middelen ongegrond en heb mitsdien de eer te concludeeren tot verwerping van het beroep, met veroordeeling van den requirant in de kosten.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.