Conclusie · Bestuursrecht
Parket bij de Hoge Raad, 18 mei 1883
ECLI:NL:PHR:1883:1Zaaknummer 30
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 18 mei 1883
- Publicatiedatum
- 19 januari 2023
- Zaaknummer
- 30
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
Kiesrecht. Mag een ongehuwde vrouw van 30 jaar of ouder als ingezetene stemmen? De originele conclusie is helaas niet meer voorhanden. De tekst van de gepubliceerde conclusie is afkomstig uit het Weekblad van het Regt (no. 4917). Deze tekst is verkregen uit de originele conclusie van de Hoge Raad. De conclusie uit het Weekblad van het Regt is helaas niet volledig: datum uitspraak en afsluiting ontbreken.
Volledige tekst
Conclusie van advocaat-generaal van Maanen.
Edel Hoog Achtbare Heeren!
De eischeresse heeft zich overeenkomstig art. 20 en 21 der kieswet van 4 Juli 1850 (Stbl. no. 37) in cassatie voorzien tegen eene uitspraak van de Arrond.-Rechtbank te Amsterdam dd. 14 April 1883, waarbij zij is verklaard niet-ontvankelijk in haar verzoek, dat haar naam op de lijst van kiezers voor den gemeenteraad van Amsterdam zou worden geplaatst.
Het eerste van de daartegen aangevoerde middelen van cassatie heet: verkeerde toepassing van art. 15 der kieswet door aan te nemen, dat van het verzoek, volgens dat artikel, een formeel vereischte is, dat het door den verzoeker persoonlijk zij onderteekend en vertegenwoordiging door een procureur, die in zijne qualiteit als zoodanig voor hem teekent, onvoldoende zou zijn.
Dit middel komt mij gegrond voor; de procureurs zijn in het algemeen uit den aard hunner bediening bevoegd om de rechtzoekenden voor de rechterlijke collegiën te vertegenwoordigen; die bevoegdheid moet hun dus voor bijzondere gevallen uitdrukkelijk zijn ontnomen, wil men aannemen, dat een procureur aan de Rechtbank een request voor een zijner clienten zou mogen indienen.
Bij de aangevallen beslissing oordeelt de Rechtbank, dat zulks volgt uit art. 15 der kieswet, welks eerste alinea voorschrijft dat de belanghebbenden de zaak aan de uitspraak van de Rechtbank onderwerpen bij een door hen onderteekend verzoekschrift.
Wanneer men er evenwel op let dat al. 2 van dat artikel bepaalt: ‘’zij zijn niet gehouden zich van de tusschenkomst eens procureurs te bedienen’’, dan volgt daaruit, dat zonder verplichte tusschenkomst van een procureur het request kan worden ingediend; het artikel bedoelt niet, dat men de tusschenkomst van een procureur niet zou mogen bezigen, of die bezigende bovendien zelf zou moeten teekenen. Aan de gewone bevoegdheid van den procureur wordt hier niet te kort gedaan, en de Hooge Raad besliste, dat in deze materie de rechterlijke collegiën gebonden zijn aan al de bepalingen en voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, voor zooverre daaraan bij de speciale wet betrekkelijk het kiesrecht niet uitdrukkelijk is gederogeerd; dat de voorschriften dier wet de strekking hebben om het rechtsgeding te vereenvoudigen, te bekorten en minder kostbaar te maken, doch overigens de gewone voorschriften ongekrenkt heeft gelaten (arrest 6 Mei 1853, Weekbl. No. 1433, Rechtspr. dl. 44, blz. 321). In strijd ook met de ratio legis is het dat hij die de gewone wijze van indienen van requesten volgt, in zijn verzoek niet wordt ontvangen.
Ware de onderteekening een formeel vereischte, zoo wordt nog in het request gezegd, dan zou iemand die niet schrijven kan van zijn recht geen gebruik kunnen maken, daargelaten dat de wetgever geenszins uitging van het denkbeeld, dat een kiezer niet schrijven kan, dan toch zou deze bij notarieele volmacht een ander kunnen machtigen om het request voor hem in te dienen en te teekenen. Maar waar de wet ten doel had vereenvoudiging van procedure en daarom persoonlijke onderteekening toeliet, was geenszins de strekking, daarvan de ontvankelijkheid van het verzoek te doen afhangen.
Het tweede middel luidt: verkeerde toepassing van dezelfde art. 15 der kieswet, door in appel eene feitelijke vraag te onderzoeken (te weten of de verzoeker al dan niet gedurende een jaar woonplaats binnen de gemeente heeft gehad) waaromtrent de gemeenteraad niet blijkt bezwaar te hebben gemaakt.
Naar het oordeel van de eischeresse mag geen punt van onderzoek voor de rechterlijke macht uitmaken al datgene wat in de administratieve instantie geen bezwaar heeft opgeleverd.
De Rechtbank besliste zelfstandig dat de eischeresse de bevoegdheid tot het indienen van een bezwaarschrift mist omdat deze bij art. 11 der kieswet, uitsluitend is toegekend aan ingezetenen der gemeente, de vereischten bezittende in art. 1 dier wet vermeld, doch dat het niet blijkt, dat de eischeresse is ingezetene van Amsterdam overeenkomstig het vereischte daarvoor bij art. 2 al. 5 der kieswet gesteld.
Ik merk ten aanzien van dit punt op, dat de vraag van ingezetenschap evenzeer de ontvankelijkheid als het fond der zaak raakt, want men moet om kiezer te zijn, evenzeer ingezeten wezen.
Het onderzoek van de Rechtbank, of de eischeresse gerechtigd was een bezwaarschrift in te dienen, zonder zich te bepalen tot de door den gemeenteraad aangenomen grond of gronden, is geheel in overeenstemming met de voorschriften der kieswet.
Art. 15 zegt uitdrukkelijk, dat de zaak, dat is de zaak in haar geheel, wordt onderworpen aan de uitspraak der Rechtbank.
De eischeresse ziet geheel voorbij, dat art. 148 al. 2 der Grondwet voorschrijft ‘’aan de rechterlijke macht behoort insgelijks, behoudens de uitzonderingen door de wet te bepalen, de beslissing over burgerschapsrechten’’ De uitspraak daarover van den gemeenteraad is alzoo eene exceptieve rechtspraak, die van den burgerlijken rechter is de gewone rechtspraak, zoodat onjuist is de bewering, dat de rechter als exceptioneele rechter zich zou moeten beperken tot de punten van geschil bij den administratieven rechter voorgebracht. Arresten Hoogen Raad 17 Mei 1865 en 29 Juni 1877 (Weekb. no. 4141), Rechtspr. dl. 80, blz. 109 en dl. 116, blz. 271.
Dit middel houd ik daarom voor ongegrond en evenzoo het derde, hetwelk heet: Schending van art. 74 en 76 B.W. en art. 2 der Kieswet voormeld, door eene verklaring van het gemeentebestuur, dat de verzoeker sedert meer dan twee jaar is ingeschreven in het bevolkingsregister te Amsterdam, niet als voldoend bewijs van woonplaats bij de kieswet bedoeld, te beschouwen.
Bij de kieswet heeft de wetgever aan het woord woonplaats gehecht den zin, die daaraan door het Burg.Wetb. wordt gegeven. (Arrest H.Raad 28 Sept. 1877, Weekbl.no. 4169, Rechtspr.dl. 116, blz. 327). Dienovereenkomstig beslist de Rechtbank, dat de inschrijving in het bevolkingsregister het niet afschrijven daaruit niet oplevert het bewijs dat de eischeresse in dien tijd te Amsterdam hare woonplaats had in den zin, daaraan toegekend bij art. 74 B.W., maar daardoor is dat artikel niet geschonden, als niet rakende het bewijs van de woonplaats. Onder woonplaats wordt verstaan het hoofdverblijf, het domicilie, het middenpunt als het ware van den rechtskring, waarin men zich beweegt.
Er zou wellicht sprake hebben kunnen zijn van schending van art. 76 B.W. wanneer ware overgelegd de verklaring van het voornemen der eischeresse om zich te Amsterdam te vestigen, gevoegd bij gelijke verklaring gedaan aan het bestuur der gemeente, die ze verlaten had. Zeker is dit niet het geval waar niet afschrijving uit het bevolkingsregister is ter zijde gesteld als bewijsmiddel van het feit, dat bij het gemeentebestuur van Amsterdam niet is ingekomen de verklaring omtrent het verlaten dier gemeente bedoeld bij art. 76 B.W.
Het vierde en laatste middel heet: Schending of verkeerde toepassing van artt. 1 en 2 der kieswet en schending van art. 11 der wet, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk, door requestrante niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek om op de kiezerslijsten te worden geplaatst, en daarbij het begrip ingezetenen uit te leggen als mannelijke ingezetenen en aan de woorden: in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsrechten de uitlegging te geven, alsof de wet het bezit van alle burgerlijke en burgerschapsrechten eischte.
De eischeresse meent dat de Rechtbank de bedoeling des wetgevers tot maatstaf van beoordeeling heeft genomen, in plaats van zich te bepalen tot de eenvoudige toepassing der wet welke spreekt van ingezetenen in het algemeen.
Al dadelijk merk ik op dat hier geen sprake is van beoordeeling van innerlijke waarde of billijkheid der wet, maar van hare uitlegging, waartoe de rechter zeker geroepen is.
Voorts is het recht om kiezer te zijn aan de eischeresse ontzegd, omdat zij is eene vrouw aan welke geen stemrecht is toegekend, en de Rechtbank geeft daarvoor de volgende goede en juiste gronden: dat van eene uitbreiding van het kiesrecht dan gelijk het in 1848 bestond, ongetwijfeld in duidelijke termen in de Grondwet en Kieswet zou zijn gebleken, zoodat bij gebreke van eenig blijk daarvan, zoodanige afwijking van vroegere toestanden niet is bedoeld; dat de wetgever anders het kiesrecht voor vrouwen zou hebben geregeld naarmate ze waren gehuwd of ongehuwd, en dat bij art. 3 wordt bepaald dat de vader geacht wordt te betalen den omslag wegens de goederen zijner minderjarige kinderen, waarvan hij het vruchtgenot heeft, terwijl er niet van wordt gesproken, zoo de langstlevende moeder dat vruchtgenot heeft, wat voor de hand lag, zoo haar stemrecht was toegekend.
Ik zou er bij kunnen voegen dat art. 2 luidt: ‘’deze wet houdt voor Nederlanden, ingezeten enz. hem, die’’. Zeker is het geen nieuwe leer, dat de rechter bij de toepassing der wet zich tot de strikte uitlegging van hare woorden moet bepalen.
Tot de vreemdste gevolgen zou het zeker leiden, als hij zich daarbij niet van den geest en bedoeling des wetgevers mocht en moest doordringen.
Als men onder ingezetenen ook vrouwen moest verstaan, dan zouden dezen, met een beroep op art. 177 der Grondwet, hetwelk als een der eerste plichten van alle ingezetenen voorschrijft het dragen der wapenen tot beveiliging van het grondgebied van den Staat, met den eisch tevoorschijn kunnen komen; het geweer op schouder te nemen en als vrijwilliger te dienen.
Neen, bij de aangevallen uitspraak zijn de regelen eener gezonde uitlegkunde gevolgd; tegen de woorden der wet is op de bedoeling des wetgevers geen beroep gedaan, maar die woorden zijn overeenkomstig zijne ontwijfelbare bedoeling uitgelegd en zeker zijn door die wetsinterpraetatie de aangehaalde wetsbepalingen niet geschonden of verkeerd toegepast. Ik houd dus ook dit middel voor ongegrond.
Hoezeer nu het eerste middel op goede gronden steunde, is niettemin de eischeresse uit anderen hoofde niet ontvankelijk, zoodat het dictum van het vonnis juist is.
Ik heb alzoo de eer te concludeeren tot verwerping van den eisch tot cassatie, met veroordeeling van de eischeresse in de proceskosten.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 20 KW
- Artikel 21 KW
- Artikel 15 KW
- Artikel 11 KW
- Artikel 2 KW
- Artikel 1 KW
- Artikel 177 Gw
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:1883:1 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:1883:1 Hoge Raad, 18 mei 1883 (civiel recht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.