Uitspraak · Belastingrecht
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba), 30 oktober 1998
ECLI:NL:ORBBNAA:1998:BU5471Zaaknummer 1995-045
- Instantie
- Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
- Datum uitspraak
- 30 oktober 1998
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 1995-045
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting / Belastingjaar 1989 Navorderingsaanslag na dagtekening ontvangen. Termijnoverschrijding verschoonbaar indien zo spoedig als redelijkerwijs verlangd kan worden het beroepschrift bij de Raad wordt ingediend. Het indienen na twee maanden wordt niet als zodanig aangemerkt.
4. Beslissing:
De Raad verklaart appellant niet ontvankelijk in het door hem ingestelde beroep.
mrs. A.W.M. Bijloos, J.K. Moltmaker en J.W. Ilsink
Volledige tekst
Beschikking van 30 oktober 1998, nr. 1995-045
DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN
zitting houdende in Aruba,
inzake:
belanghebbende
tegen
de Inspecteur der Belastingen
1. Loop van het geding:
1.1 Aan appellant is een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1989 opgelegd, gedagtekend 16 december 1994, art. nr. 90333, naar een zuiver inkomen van Aƒ 110.693,--.
1.2 Appellant heeft tegen deze navorderingsaanslag beroep bij de Raad ingesteld bij beroepschrift, ingekomen op 26 april 1995. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.
1.3 De zaak is behandeld ter zitting van de Raad te Aruba op 24 april 1998. Op de zitting is appellant niet verschenen, noch zijn gemachtigde. Wel is verschenen de Inspecteur die haar standpunt nader mondeling heeft toegelicht.
2. Standpunten van partijen:
2.1 Appellant stelt in zijn beroepschrift, dat de navorderingsaanslag aan hem is uitgereikt op 27 februari 1995. Voorts stelt appellant dat de berekening waarop de Inspecteur de aanslag baseert, hem niet bekend is en dat de Inspecteur de aanslag niet nader heeft gemotiveerd.
2.2 De Inspecteur betwijfelt of de navorderingsaanslag pas op 27 februari 1995 door appellant is ontvangen. De terpostbezorging heeft tijdig plaatsgevonden, de adressering was correct en andere, min of meer gelijktijdig verzonden post is wel tijdig door appellant ontvangen.
De Inspecteur stelt voorts, dat ook al zou de door appellant genoemde reden als een bijzondere omstandigheid kunnen worden beschouwd, die in beginsel tot verlenging van de beroepstermijn zou kunnen leiden, appellant niet zo spoedig als redelijkerwijs van hem had kunnen worden verlangd een beroepschrift bij de Raad heeft ingediend. De Inspecteur verwijst daarbij naar de beschikkingen van de Raad van 10 december 1997, nrs. 1995/41, 42 en 43.
3. Overwegingen omtrent het geschil:
Ook als de Raad uitgaat van de juistheid van het door appellant gestelde feit, dat hij de navorderingsaanslag pas op 27 februari 1995 heeft ontvangen, is de termijnsoverschrijding niet verschoonbaar, aangezien appellant of zijn gemachtigde in dat geval niet zo spoedig als redelijkerwijs van hem verlangd kon worden het beroepschrift bij de Raad heeft ingediend. Als zodanig spoedig indienen kwalificeert de Raad niet het op 26 april 1995 indienen van een beroepschrift tegen een op 27 februari 1995 ontvangen navorderingsaanslag met dagtekening 16 december 1994. Appellant dient derhalve niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn beroep.
4. Beslissing:
De Raad verklaart appellant niet ontvankelijk in het door hem ingestelde beroep.
mrs. A.W.M. Bijloos, J.K. Moltmaker en J.W. Ilsink
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.