Uitspraak · Omgevingsrecht
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 2 september 2026
ECLI:NL:OGHACMB:2026:251Zaaknummer CUR2026H00152
- Instantie
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Datum uitspraak
- 2 september 2026
- Publicatiedatum
- 3 september 2026
- Zaaknummer
- CUR2026H00152
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Omgevingsrecht
- Procedure
- Bodemzaak, Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet indienen van hogerberoepsgronden.
Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
| w.g. Van Ettekoven voorzitter | w.g. Buntjer griffier |
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.
Partijen worden conform artikel 79, tweede lid, van de Lar, in verbinding met artikel 80, eerste lid, van de Lar, er op gewezen dat zij binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen schriftelijk verzet kunnen doen bij het Hof.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
CUR2026H00152
Datum uitspraak: 2 september 2026
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak van de voorzitter van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, na vereenvoudigde behandeling (artikel 79, eerste en vierde lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak, hierna: Lar), op het hoger beroep van:
[naam],
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 6 mei 2026 in zaak nr. CUR202501570, in het geding tussen:
appellante
en
de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning (hierna: de minister)
Procesverloop
Bij beschikking van 26 maart 2025 heeft de minister aan [naam buurman] een bouwvergunning verleend voor de bouw van een opslagloods op een perceel aan de Saturnusstraat 56.
Bij uitspraak van 6 mei 2026 heeft het Gerecht het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beschikking vernietigd en de minister opgedragen om binnen drie maanden opnieuw op de aanvraag te beslissen, met inachtneming van zijn uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld.
Het Hof heeft een behandeling op een zitting achterwege gelaten met toepassing van artikel 79, eerste en vierde lid, van de Lar.
Overwegingen
- Appellante heeft op 17 juni 2026 pro forma hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van het Gerecht van 6 mei 2026. Het Hof heeft haar in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 23 juli 2026 de gronden van het hoger beroep in te dienen. Deze termijn is op verzoek van appellante verlengd tot 13 augustus 2026. Daarna heeft het Hof vastgesteld dat het door appellante ingediende stuk geen hogerberoepsgronden bevat. Op 17 augustus 2026 is appellante hiervan telefonisch op de hoogte gebracht en is zij in de gelegenheid gesteld om binnen een dag alsnog de gronden van het hoger beroep in te dienen. Appellante heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Op 19 augustus 2026 is appellante nogmaals schriftelijk op dit gebrek gewezen en heeft het Hof haar een laatste termijn van een dag gegeven om de gronden van het hoger beroep in te dienen. Op 25 augustus 2026 om 08.02 uur heeft het Hof partijen bericht dat wordt vastgesteld dat appellante geen hogerberoepsgronden heeft ingediend, dat het Hof uitspraak zal doen met toepassing van artikel 79 van de Lar en dat het onderzoek wordt gesloten.
- Gezien het voorgaande heeft appellante niet uiteengezet met welke overwegingen van de uitspraak van het Gerecht zij zich niet kan verenigen en waarom dat zo is. Aldus heeft zij niet de gronden vermeld waarop het hoger beroep berust en heeft zij niet voldaan aan het vereiste uit artikel 15, vijfde lid, aanhef en onder c, gelezen in verbinding met artikel 77, eerste lid, van de Lar.
- Gelet op artikel 22, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 79, eerste en vierde lid, van de Lar ziet de voorzitter van het Hof hierin aanleiding om het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
- Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
| w.g. Van Ettekoven voorzitter | w.g. Buntjer griffier |
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.
Partijen worden conform artikel 79, tweede lid, van de Lar, in verbinding met artikel 80, eerste lid, van de Lar, er op gewezen dat zij binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen schriftelijk verzet kunnen doen bij het Hof.
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:OGEAC:2026:65 http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.