Uitspraak · Bestuursrecht
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 23 mei 2014
ECLI:NL:OGHACMB:2014:120Zaaknummer HLAR 66089/13
- Instantie
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Datum uitspraak
- 23 mei 2014
- Publicatiedatum
- 9 oktober 2017
- Zaaknummer
- HLAR 66089/13
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om verlening vergunning tot tijdelijk verblijf. In de Lar noch elders verplichting voor het betrokken bestuursorgaan om de kosten die bij een partij in verband met de behandeling van het bezwaar zijn opgekomen, te vergoeden, als het bezwaar ongegrond wordt verklaard.
Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
verklaart het hoger beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 18 september 2013 in zaak nr. Lar nr. 1066 van 2013;
verklaart het bij het Gerecht in die zaak door [appellant] tegen de beschikking van de minister van Integratie, Infrastructuur en Milieu van 2 april 2013, kenmerk DIMAS 302/12, ingestelde beroep gegrond;
vernietigt die beschikking;
veroordeelt de minister van Integratie, Infrastructuur en Milieu tot vergoeding aan [appellant] van bij deze in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Afl. 1400,00 (zegge: veertienhonderd gulden), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
gelast dat het land Aruba aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 100,00 (zegge: honderd gulden) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. P. van Dijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A. Martines, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2014
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
HLAR 66089/13
Datum uitspraak: 23 mei 2014
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[Appellant], wonend in Aruba,
appellant,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 18 september 2013 in zaak nr. Lar nr. 1066 van 2013 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Integratie, Infrastructuur en Milieu.
Procesverloop
Bij ongedateerde beschikking heeft de minister een verzoek van appellant om hem een vergunning tot verblijf te verlenen afgewezen.
Bij beschikking van 2 april 2013 heeft de minister het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en die beschikking gehandhaafd.
Bij uitspraak van 18 september 2013 heeft het Gerecht het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2014, waar de minister, vertegenwoordigd door J.M. Harewood, werkzaam in dienst van het land, is verschenen.
Overwegingen
Ingevolge artikel 7a, eerste lid, van de Landsverordening toelating, uitzetting en verwijdering (hierna: de Ltuv) wordt een vergunning tot verblijf door of namens de minister, belast met vreemdelingenzaken, verleend. Ingevolge het tweede lid kan een vergunning tot verblijf worden verleend aan degene die kan aantonen dat hij gedurende ten minste 10 jaren onafgebroken legaal ingezetene van Aruba is geweest.
Appellant betoogt dat het Gerecht in de omstandigheid dat de minister bij de beschikking van 2 april 2013 geen beslissing op zijn in het bezwaarschrift gedane verzoek om vergoeding van bij hem opgekomen kosten van rechtsbijstand heeft genomen, ten onrechte geen grond heeft gezien om het beroep gegrond te verklaren en die beschikking te vernietigen.
Dat betoog faalt. De Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) verplicht het betrokken bestuursorgaan er niet toe om de kosten die bij een partij in verband met de behandeling van het bezwaar zijn opgekomen, te vergoeden, als het bezwaar ongegrond wordt verklaard. Ook anderszins bestaat geen zodanige verplichting. Reeds om die reden is het Gerecht terecht tot de conclusie gekomen dat de minister geen aanleiding heeft hoeven zien de gestelde bij appellant in bezwaar opgekomen kosten aan hem te vergoeden.
Appellant betoogt verder dat het Gerecht zijn betoog dat de minister in strijd met artikel 21, eerste lid, van de Lar heeft beschikt, ten onrechte onbesproken heeft gelaten.
Ingevolge 21, eerste lid, van de Lar wordt de beslissing op het bezwaarschrift met redenen omkleed en gaat het vergezeld van een afschrift van het advies van de commissie en van het verslag van de hoorzitting.
Het betoog slaagt. Appellant heeft in beroep aangevoerd dat de beschikking van 2 april 2013 in strijd is met artikel 21, eerste lid, van de Lar, nu het advies van de commissie en het verslag van de hoorzitting niet aan hem zijn toegezonden. Niet in geschil is dat dat niet is gebeurd. Het Gerecht is hem ten onrechte niet in dat betoog gevolgd.
Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, zal het Hof het beroep gegrond verklaren en de beschikking van 2 april 2013 vernietigen.
Er is geen aanleiding de rechtsgevolgen van de vernietigde beschikking van 2 april 2013 in stand te laten, reeds omdat de inhoud van het advies van de commissie niet voldoende in die beschikking is weergegeven. De minister dient opnieuw op het door appellant tegen de ongedateerde afwijzing van het verzoek om hem een vergunning tot verblijf te verlenen gemaakte bezwaar te beschikken. Daarbij dient de minister hetgeen in deze uitspraak is overwogen in acht te nemen, alsmede rekening te houden met de feiten en omstandigheden, zoals die zich voordoen ten tijde van het geven van die beschikking en het op dat moment geldende recht.
De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten in beroep te worden verwezen. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep biedt de Lar geen mogelijkheid.
Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
verklaart het hoger beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 18 september 2013 in zaak nr. Lar nr. 1066 van 2013;
verklaart het bij het Gerecht in die zaak door [appellant] tegen de beschikking van de minister van Integratie, Infrastructuur en Milieu van 2 april 2013, kenmerk DIMAS 302/12, ingestelde beroep gegrond;
vernietigt die beschikking;
veroordeelt de minister van Integratie, Infrastructuur en Milieu tot vergoeding aan [appellant] van bij deze in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Afl. 1400,00 (zegge: veertienhonderd gulden), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
gelast dat het land Aruba aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 100,00 (zegge: honderd gulden) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. P. van Dijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A. Martines, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2014
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.