Uitspraak · Strafrecht
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, 11 maart 2026
ECLI:NL:OGEAM:2026:89Zaaknummer 100.00058/26
- Instantie
- Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
- Datum uitspraak
- 11 maart 2026
- Publicatiedatum
- 16 juli 2026
- Zaaknummer
- 100.00058/26
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Brandstichting, meermalen gepleegd, en vuurwapenbezit. Bewezenverklaring o.b.v. aangetroffen DNA verdachte, in combinatie met andere forensische bevindingen en camerabeelden. Verklaring verdachte onaannemelijk. Gelet op ernst van de feiten hogere straf dan eis officier van justitie. Gevangenisstraf achttien maanden met aftrek.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 18 (achttien) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
verklaart verbeurd de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- twee aanstekers (zwart/blauwkleurig en oranjekleurig);
- een pet (bruinkleurig);
- een schoudertas (geelkleurig);
beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- een zwart alarm pistool.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. I.P.H.M. Severeijns, bijgestaan door mr. E.C.M. van der Valk (zittingsgriffier), en op 11 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Sint Maarten.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Parketnummer: 100.00058/26
Uitspraak: 11 maart 2026 tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteland],
wonende te Sint Maarten, [adres].
raadsman: mr. M.K.A. Hart, advocaat te Sint Maarten
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman.
De officier van justitie mr. V. Awadhpersad heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarden als door de reclassering geadviseerd, en een taakstraf voor de duur van 240 uren, bij niet verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis.
De vordering van de officier van justitie behelst voorts de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen alarmpistool en de verbeurdverklaring van de overige in beslag genomen voorwerpen.
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van de onder feit 1 ten laste gelegde brandstichting zal worden vrijgesproken en verzoekt ter zake van het vuurwapenbezit geen straf of maatregel op te leggen, dan wel een minimale geldboete.
Tenlastelegging
Aan de verdachte zijn de feiten ten laste gelegd, vermeld op de dagvaarding en de vordering wijziging tenlastelegging van de officier van justitie. Afschriften van de dagvaarding en de vordering wijziging tenlastelegging zijn aan dit vonnis gehecht.
Formele voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Ten aanzien van feit 1:
hij in of omstreeks de periode van 15 januari 2025 tot en met 16 januari 2025 te Sint Maarten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meerdere malen opzettelijk brand heeft gesticht aan/bij/in de PDG Hotel & Restaurant Equipment & Supplies, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), toen en aldaar telkens opzettelijk brandbaar materiaal en/of brandbare vloeistof op enigerlei vorm of wijze aangebracht/gegoten/geplaatst en/of vervolgens telkens dit materiaal en/of dat die vloeistof tot ontbranding gebracht en/of laten komen, in elk geval telkens opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan voornoemde PDG Hotel & Restaurant Equipment & Supplies telkens geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan telkens gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest, te weten: de (zink)platen van het dak/dakplaten van voornoemd gebouw en/of een hoeveelheid gereedschappen en/of overige goederen die zich binnen/buiten voornoemd gebouw bevonden;
Ten aanzien van feit 2:
hij op of omstreeks 22 januari 2026 te Sint Maarten, een vuurwapen, te weten een alarmpistool, dan wel een ander voor afdreiging geschikte voorwerp in de zin van de Vuurwapenverordening, voorhanden heeft gehad.
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd; omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.
Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisanten in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Sint Maarten, Team Algemene Recherche d.d. 25 februari 2026, geregistreerd onder proces-verbaalnummer 395/JD/25 en de onderzoeksnaam “Chuchubi 25”.
Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Sint Maarten.
1. Het proces-verbaal van bevindingen brandstichting d.d. 15 maart 2026, pagina 8 en 9 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende:
Om 07.38 uur bericht gehad van een brand bij PDG Hotel & Restaurant Equipment and Supplies aan de Wellington Road #24 te Cole Bay. Bij het verhoogde gedeelte van het dak was het duidelijk te zien waar de brand had gewoed en was er een sterke geur van vermoedelijke gasoline waarneembaar. Op het verhoogde gedeelte van het dak zag ik (…) een creme kleurige pet en een gele tas, met daarin een creme kleurige tas liggen. Ik heb waargenomen dat er een vloeistof vanuit het dak tegen een deel van de achtermuur was gesijpeld naar de betonnen vloer. De betonnen vloer was nog vochtig en riekte sterk naar vermoedelijk gasoline.
2. Het proces-verbaal van forensisch onderzoek d.d. 30 oktober 2025, met bijlagen, pagina 33 t/m 35, inclusief bijlagen, van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende:
Onderzoek plaats delict
Op het dak zag ik een geelkleurige schoudertas en een bruinkleurige pet.
Op een afstand van ongeveer 30 meter lag er op het dak een oranjekleurige aansteker.
De volgende stukken van overtuiging die zijn veiliggesteld zijn als het volgt gewaarmerkt:
SVO-nummer Omschrijving
015-25-PD-03 een geelkleurige schoudertas
015-25-PD-04 een bruinkleurige pet
De onderstaande veiliggestelde stukken van overtuiging zijn geselecteerd om bij het Nederlands Forensisch Instituut daar onderzoek te laten verrichten:
SVO-nummer SIN Omschrijving 015-25/SVO-02 [A…......] bemonstering (stub) een bruinkleurige pet
Conclusie
Gelet op het waargenomen brandbeeld op het dakgedeelte vanaf de buitenzijde, aan de binnenzijde in de directe omgeving riekt naar brandversnellend middel en dat “Sniffer” positief had gereageerd tussen 300 ppm en 650 ppm voor aanwezigheid van een brandversnellend middel op het gedeelte zowel aan de buitenzijde als aan de binnenzijde, is het aannemelijk dat conform de tabel van verschillende brandversnellende middelen, hier sprake is van “diesel vapor of gasoline vapor” brandversnellende middelen.
Naar aanleiding van bovenstaande, kan worden vastgesteld dat hier sprake is van brandstichting.
3. Het proces-verbaal van forensisch onderzoek d.d. 30 oktober 2025, pagina 76 t/m 79, inclusief bijlagen, van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende:
Op 16 januari 2025 kwam in de ochtenduren een melding binnen via de centrale meldkamer van de politie dat de zaak PDG, gelegen te Wellington Road, Cole Bay, vanaf het dakgedeelte aan het branden was of in brand was gestoken.
Naar aanleiding hiervan ging ik, verbalisant, ter plaatse (…) en verrichte ik een forensisch onderzoek.
Tijdens het onderzoek zag ik dat een aantal zinkplaten van het dak van het magazijn was verbrand.
Op het dak in de directe omgeving zag ik een blauw/zwartkleurige aansteker.
De binnenkant van het magazijn riekte naar gasoline (brandversnellend middel) gelijkende vloeistof.
Het onderstaande veiliggestelde stuk van overtuiging is geselecteerd om bij het Nederlands Forensisch Instituut daar onderzoek te laten verrichten:
SVO-nummer SIN Omschrijving
015-25-SVO-01 [A…......] bemonstering zwart/blauwkleurig aansteker
Conclusie
Gelet op het waargenomen brandbeeld op het dakgedeelte vanaf de buitenzijde, aan de binnenzijde in de directe omgeving riekt naar brandversnellend middel en dat “Sniffer” positief had gereageerd tussen 300 ppm en 650 ppm voor aanwezigheid van een brandversnellend middel op het gedeelte zowel aan de buitenzijde als aan de binnenzijde, is het aannemelijk dat conform de tabel van verschillende brandversnellende middelen, hier sprake is van “diesel vapor of gasoline vapor” brandversnellende middelen.
Naar aanleiding van bovenstaande, kan worden vastgesteld dat hier sprake is van brandstichting.
4. Het proces-verbaal aanvraag benoeming en opdracht deskundige forensisch instituut d.d. 29 januari 2025, pagina 58 en 59 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende:
De hieronder genoemde stukken van overtuiging zijn voorzien van een sporen identificatienummer (SIN-nummer) ten behoeve van het verzenden naar het Nederlands Forensisch Instituut voor verder DNA onderzoek:
[A…......]: Afgenomen (stub) van de schouderband van de geelkleurige schoudertas
5. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een (poging tot) brandstichting op Wellington Road, Colebay, Sint Maarten op 15 en 16 januari 2025 d.d. 28 april 2025 door ing. [naam], pagina 71 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende:
[A…......]#01 (afgenomen (stub) van de bruinkleurig pet) Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van één persoon.
DNA-profiel [A…......]#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van [verdachte] dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurig onbekende persoon.
[A…......]#01 (bemonstering zwart/blauwkleurig aansteker) Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van één persoon.
DNA-profiel [A…......]#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van [verdachte] dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurig onbekende persoon.
[A…......]#01 (afgenomen (stub) van het schouderband van de geelkleurig schoudertas) Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van één persoon.
DNA-profiel [A…......]#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van [verdachte] dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurig onbekende persoon.
6. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 16 januari 2025, pagina 19 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende:
Er is papier en toiletpapier in het magazijn. Vlakbij heb je een verfwerkplaats van Motorworld. Wij hebben ook chemicaliën, zware chloor voor de wasserijen en het magazijn naast ons verkoopt ook kookolie.
7. Het aanvullende proces-verbaal van bevindingen camerabeelden d.d.
9 maart 2026, met documentcode 202603091455.BEV, inhoudende:
De beelden zijn van 15 januari 2025, omstreeks 03.19 uur, en 16 januari 2025, omstreeks 03.13 uur.
15 januari 2025, 03:19:25 uur
De verdachte [persoon] loopt in zwarte/donkere kleding en heeft een soort witte/lichtgekleurde handtas in zijn rechterhand en aan zijn linkerhand een gele tas. Hij heeft ook een soortgelijk donker soort petje op zijn hoofd. Foto 11 en 12 van de Fotomap FO zaak 015-25 hebben gelijkenissen met de tassen waarmee de verdachte liep.
16 januari 2025, 03:13:52 uur
De verdachte loopt in zwarte kleding met vermoedelijk een donker kleurig petje op zijn hoofd, een lichtgekleurde tas in zijn rechterhand. De verdachte heeft dezelfde wandelgang als de verdachte van de vorige dag.
8. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte [verdachte] d.d. 22 januari 2026, pagina 115 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende:
Op 22 januari 2026 (…) hielden wij, verbalisanten, de verdachte [verdachte], geboren op [geboortedatum], aan ter zake brandstichting.
Bij de veiligheidsfouillering zag ik, verbalisant, dat [verdachte] in het bezit was van een blauwe tas. Ik controleerde de tas en zag dat er een voorwerp in zat dat op een vuurwapen leek. Wij, verbalisanten, namen het vermoedelijke vuurwapen in beslag.
9. Het aanvullend proces-verbaal van technisch onderzoek d.d. 9 februari 2026, met documentcode 018-26, inhoudende:
Het op een vuurwapen gelijk voorwerp werd door de politie, tijdens het onderzoek aan de kleding van de verdachte [verdachte] aangetroffen, veiliggesteld en inbeslaggenomen, in het belang van het onderzoek.
Het voor het onderzoek aangeboden dubbelloops single-action alarmpistool is van het merk “Derringer”, model “RG 179” en van het kaliber 9mm KNAL met opklapbare loop.
Ik, verbalisant, heb vastgesteld dat het voor onderzoek aangeboden alarmpistool, een vuurwapen is in de zin van de Vuurwapenverordening 1930. Het vuurwapen valt onder de voor bedreiging of afdreiging geschikte voorwerpen.
10. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 11 maart 2026, inhoudende:
I recognize the items shown, I recognize the bag.
I had the weapon on me on the 22nd of January.
Bewijsoverwegingen
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van de onder feit 1 ten laste gelegde brandstichting zal worden vrijgesproken. Het bewijs is indirect en ontoereikend en er is sprake van een realistisch alternatief scenario.
Feit 1 - brandstichting
Het Gerecht stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat op 15 januari 2026 en 16 januari 2026 opzettelijk brand is gesticht bij PDG Hotel & Restaurant Equipment & Supplies. Beide branden vonden plaats op dezelfde plaats, namelijk op het dak van het pand.
Bij beide branden is gebruik gemaakt van een brandversnellend middel. Op en rond de brandhaarden werd telkens een sterke “gasoline” geur waargenomen, terwijl het ingezette detectiemiddel op beide dagen een positieve indicatie gaf voor de aanwezigheid van een brandversnellend middel. Na de brand op 15 januari 2026 zijn op het dak van het pand een aansteker, een pet en een gele tas aangetroffen. Na de tweede brand op 16 januari 2026 is op hetzelfde dak opnieuw een aansteker aangetroffen. Deze voorwerpen kunnen, gelet op hun aard, onbesmeurde uiterlijk en de vindplaats, rechtstreeks in verband worden gebracht met de brandstichtingen.
Daarnaast bevinden zich in het dossier camerabeelden van de omgeving van de plaats delict. Daarop is kort voor de eerste brand een persoon zichtbaar die een gele tas en een pet draagt die overeenkomen met de voorwerpen die na de brand op de plaats delict zijn aangetroffen. Voorts is kort voor de tweede brand eveneens een persoon op camerabeelden vastgelegd die sterke gelijkenissen vertoont met de persoon die voorafgaand aan de eerste brand is waargenomen.
Gelet hierop, en op de overeenkomsten in de plaats van de brandstichtingen, het gebruik van een(zelfde) brandversnellend middel en het aantreffen van vergelijkbare voorwerpen op het dak, alsmede in aanmerking genomen dat beide branden met een tussenpoos van één dag, rond hetzelfde tijdstip, zijn gepleegd, leidt het Gerecht af dat beide brandstichtingen door een en dezelfde persoon zijn gepleegd.
Het Gerecht ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte degene is geweest die beide brandstichtingen heeft gepleegd.
Uit het forensisch onderzoek is gebleken dat zich op de pet en de tas die na de eerste brand zijn aangetroffen en op de aansteker die na de tweede brand is veiliggesteld, enkelvoudige DNA-profielen van de verdachte bevinden. De bewijskracht van deze resultaten is zeer groot: de aangetroffen DNA-profielen zijn telkens meer dan één miljard keer waarschijnlijker afkomstig van de verdachte dan van een willekeurig ander persoon. Op de na de eerste brand aangetroffen aansteker kon wegens een te lage DNA-concentratie geen bruikbaar DNA-profiel worden verkregen.
De verdachte heeft verklaard dat anderen toegang hadden tot zijn auto, waarin persoonlijke spullen lagen, en dat de voorwerpen (en zijn DNA) mogelijk op die wijze op de plaats delict zijn terechtgekomen. Het Gerecht acht deze verklaring niet aannemelijk. De verdachte heeft geen concrete, verifieerbare omstandigheden aangevoerd die dit scenario ondersteunen. Daarbij neemt het Gerecht in aanmerking dat de verdachte eerst ongeveer een jaar na de brandstichtingen als verdachte is aangehouden. Ondanks het tijdsverloop en de gelegenheid die hij nadien heeft gehad om zijn verklaring te onderbouwen, heeft hij geen concrete gegevens aangedragen over zijn verblijfplaats ten tijde van de branden, geen alibi verschaft en evenmin aanknopingspunten gegeven voor nader onderzoek naar personen die mogelijk van zijn auto gebruik zouden hebben gemaakt.
Daar komt bij dat deze verklaring niet afdoet aan het feit dat op meerdere, rechtstreeks aan de brandstichtingen te koppelen voorwerpen uitsluitend DNA van de verdachte is aangetroffen. Het betreft telkens enkelvoudige DNA-profielen. Indien de voorwerpen daadwerkelijk door een ander zouden zijn gebruikt bij de brandstichtingen, had het voor de hand gelegen dat daarop ook DNA van die persoon zou zijn aangetroffen. Daarvan is niet gebleken.
Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, acht het Gerecht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de persoon is geweest die beide brandstichtingen heeft gepleegd. De forensische bevindingen, de camerabeelden en het ontbreken van een aannemelijke alternatieve verklaring laten naar het oordeel van het Gerecht geen redelijke andere conclusie toe.
Het dossier bevat geen aanwijzingen voor een nauwe en bewuste samenwerking met een ander, zodat de verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.
Feit 2 - vuurwapenbezit
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 22 januari 2026 een alarmpistool voorhanden heeft gehad. Vaststaat dat dit alarmpistool een vuurwapen is in de zin van de Vuurwapenverordening. Nu de verdachte met het wapen is aangetroffen en het bezit daarvan heeft bekend, acht het Gerecht dit feit wettig en overtuigend bewezen.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het onder feit 1 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:98 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
opzettelijke brandstichting met gevaar voor goederen, meermalen gepleegd
Het onder feit 2 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 3 juncto artikel 11 van de Vuurwapenverordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
overtreding van een bij artikel 3 van de Vuurwapenverordening gesteld verbod
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straf
Bewezen is verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het op twee achtereenvolgende dagen stichten van brand en vuurwapenbezit.
De officier van justitie heeft, uitgaande van een soortgelijke bewezenverklaring, gevorderd dat de verdachte daarvoor zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf.
De raadsman heeft ten aanzien van het vuurwapenbezit verzocht geen straf- of maatregel op te leggen, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het ontbreken van gevaarzetting, dan wel een minimale geldboete.
Het Gerecht overweegt als volgt.
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het Gerecht is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf, geen recht doet aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee brandstichtingen die met een tussenpoos van slechts één dag hebben plaatsgevonden. Daarbij is beide keren gebruik gemaakt van een brandversnellend middel. Brandstichting is een feit dat naar zijn aard een ernstige inbreuk vormt op de veiligheid van personen en goederen en bovendien een potentieel levensgevaarlijk karakter heeft. Het vuur kan zich immers op onvoorspelbare wijze uitbreiden en verstrekkende gevolgen hebben. Daarbij weegt het Gerecht mee dat beide branden zijn gesticht bij hetzelfde bedrijfspand, waarin zich brandbare materialen bevonden en dat zich in de directe omgeving eveneens andere bedrijven en goederen bevonden die door uitbreiding van de brand hadden kunnen worden getroffen. Door aldus te handelen heeft de verdachte willens en wetens een situatie in het leven geroepen waarin gevaar voor personen en goederen ontstond en de mogelijke gevolgen daarvan op de koop toe genomen.
Ook neemt het Gerecht in aanmerking dat door de branden niet alleen materiele schade is ontstaan, maar ook de bedrijfsvoering en het gevoel van veiligheid van de betrokkenen is geraakt. Niet is gebleken waarom verdachte tot tweemaal toe brand heeft gesticht op dezelfde plek. De volharding die hieruit spreekt heeft de eigenaren van het bedrijfspand grote angst aangejaagd die – juist nu men over het motief van verdachte in het duister tast – tot op de dag van heden voortduurt. Dat verdachte op geen enkele wijze verantwoording heeft willen nemen voor zijn daden, nog inzicht heeft geboden in de reden van zijn handelen neemt het Gerecht hem zeer kwalijk.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens vormt een ernstige bedreiging voor de veiligheid van personen en de openbare orde, ongeacht het concrete gebruik daarvan. Dit geldt in het bijzonder voor Sint Maarten, waar vuurwapengeweld een terugkerend maatschappelijk probleem vormt. Het Gerecht acht ook dit feit ernstig.
Bij de straftoemeting neemt het Gerecht in aanmerking dat voor feiten als de onderhavige in beginsel aanzienlijke gevangenisstraffen worden opgelegd. Voor vuurwapenbezit wordt in vergelijkbare gevallen doorgaans een gevangenisstraf van zes tot twaalf maanden passend geacht. Ook voor brandstichting worden, afhankelijk van de omstandigheden van het geval en de mate van gevaarzetting, veelal gevangenisstraffen van vergelijkbare duur opgelegd.
Het Gerecht heeft tevens acht geslagen op de persoon van de verdachte. Daarbij is niet gebleken van bijzondere persoonlijke omstandigheden die de feiten kunnen verklaren of die aanleiding geven tot strafvermindering.
De combinatie van twee brandstichtingen binnen een zeer kort tijdsbestek en het voorhanden hebben van een vuurwapen rechtvaardigt naar het oordeel van het Gerecht een aanzienlijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf, en daarmee dus een hogere straf dan door de officier van justitie is geëist. Gelet op de ernst van de feiten, de gevaarzetting die daarvan uit is gegaan en de maatschappelijke onrust die dergelijke feiten veroorzaken, kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie.
Alles afwegende acht het Gerecht een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden passend en geboden.
In beslag genomen voorwerpen
Aan de orde zijn voorts de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.
De twee aanstekers, de pet en de tas zijn vatbaar voor verbeurdverklaring. Het Gerecht acht voldoende aannemelijk dat deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren. Met behulp van deze voorwerpen is het onder feit 1 bewezen verklaarde begaan of voorbereid. Het Gerecht zal daarom de verbeurdverklaring van deze voorwerpen gelasten.
Het alarmpistool is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu het onder feit 2 bewezen verklaarde met betrekking tot dit voorwerp is begaan. Voorts is het ongecontroleerde bezit van dit voorwerp in strijd met de wet en het algemeen belang. Het Gerecht zal het alarmpistool daarom onttrekken aan het verkeer.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:62, 1:67, 1:68, 1:74, 1:75, 1:136 en 1:224 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 18 (achttien) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
verklaart verbeurd de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- twee aanstekers (zwart/blauwkleurig en oranjekleurig);
- een pet (bruinkleurig);
- een schoudertas (geelkleurig);
beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- een zwart alarm pistool.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. I.P.H.M. Severeijns, bijgestaan door mr. E.C.M. van der Valk (zittingsgriffier), en op 11 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Sint Maarten.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 2:98 Sr
- Artikel 1:62 Sr
- Artikel 1:67 Sr
- Artikel 1:68 Sr
- Artikel 1:74 Sr
- Artikel 1:75 Sr
- Artikel 1:136 Sr
- Artikel 1:224 Sr
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.