Uitspraak · Ambtenarenrecht

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, 3 juli 2026

ECLI:NL:OGEAM:2026:87Zaaknummer SXM202600703 - GAZ00022/2026

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
SXM202600703 - GAZ00022/2026
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Ambtenarenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Het door verzoeker ingediende bezwaar is prematuur, nu ten tijde van het indienen van het verzoek om een voorziening bij voorraad nog geen ontvankelijk bezwaarschrift aanhangig was. Reeds hierom komt het Gerecht niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de bezwaren tegen de voortduring van de schorsing en de inhouding van de bezoldiging.

Beslissing

De rechter in dit gerecht:

verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. B. Martinez-Hammer, ambtenarenrechter, bijgestaan door de griffier en uitgesproken in raadkamer op 3 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening kan geen hoger beroep worden ingesteld.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procesverloop
  2. Overwegingen
  3. Wettelijk kader
  4. Beslissing
  5. Informatie over hoger beroep

Zaaknummer: SXM202600703 - GAZ00022/2026

Uitspraakdatum: 3 juli 2026

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

UITSPRAAK

op het verzoek tot het treffen van een beslissing bij voorraad

als bedoeld in artikel 94 van de Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 (hierna: RAr) van:

[verzoeker],

verzoeker,

gemachtigde: mr. P.A.M. BRANDON,

tegen

DE GOUVERNEUR VAN SINT MAARTEN,

gezeteld te Sint Maarten,

verweerder,

gemachtigde: mr. R.F. GIBSON JR.

Procesverloop

Verzoeker heeft op 12 juni 2026 een verzoekschrift (met producties) als bedoeld in artikel 94 van de RAr bij het Gerecht ingediend.

Verweerder heeft op 26 juni 2026 een contra-memorie (met producties) ingediend.

Bij brief van 24 juni 2026 heeft verzoeker aanvullende producties ingediend.

Het Gerecht heeft het verzoek behandeld in raadkamer van 29 juni 2026. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam beleidsmedewerker], bijgestaan door de gemachtigde mr. D. Schram. Partijen hebben op schrift gestelde pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

Overwegingen

Wettelijk kader

1.1.

Op grond van artikel 94, eerste lid, van de RAr kan een ambtenaar bij een met redenen omkleed verzoekschrift aan het gerecht in ambtenarenzaken een beslissing bij voorraad vragen in alle gevallen waarin een bezwaarschrift op grond van deze landsverordening kan worden ingediend, doch waarin ter voorkoming van onevenredig nadeel voor de ambtenaar, een onverwijlde voorziening wenselijk is.

1.2.

Artikel 17, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (hierna: Lma) bepaalt dat tegen beschikkingen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de RAr bezwaar openstaat bij het bevoegd gezag.

1.3.

In het Landsbesluit bezwaarschriften ambtenaren (hierna: Lba) zijn nadere regels gesteld met betrekking tot de indiening van bezwaarschriften. Artikel 3, derde en vierde lid, van het Lba bepaalt – voor zover hier van belang – wanneer sprake is van het niet tijdig nemen van een beschikking. Een belanghebbende kan het bevoegd gezag eerst schriftelijk in gebreke stellen nadat drie maanden zijn verstreken. Indien vervolgens niet binnen dertig dagen wordt beslist, is sprake van een fictieve weigering waartegen een bezwaarschrift kan worden ingediend.

Feiten en omstandigheden

2.1.

Verzoeker is als ambtenaar aangesteld bij het Ministerie van VROMI.

2.2.

Bij brief van 1 oktober 2024 heeft verweerder verzoeker met toepassing van artikel 92, aanhef en onder b, van de Lma geschorst in zijn ambt en bepaald dat zijn bezoldiging gedurende de schorsing volledig wordt ingehouden.

2.3.

Bij brief van 11 mei 2026 heeft verzoeker verweerder verzocht de schorsing en de inhouding van zijn bezoldiging op te heffen dan wel te herzien.

2.4.

Bij brief van 11 juni 2026 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen de gestelde fictieve weigering om op dit verzoek te beslissen. Het onderhavige verzoek strekt ertoe hangende dat bezwaar een voorziening bij voorraad te treffen.

Beoordeling

3.1.

Vaststaat dat verzoeker zijn bezwaar heeft ingediend één maand nadat hij zijn verzoek had ingediend. Op dat moment was de in artikel 3, vierde lid, van het Lba genoemde termijn van drie maanden nog niet verstreken. Verweerder kon daarom nog niet rechtsgeldig in gebreke worden gesteld. Van een fictieve weigering om op het verzoek van 11 mei 2026 te beslissen was daarom nog geen sprake.

3.2.

Hieruit volgt dat het bezwaar prematuur is ingediend. Nu ten tijde van het indienen van het verzoek om een voorziening bij voorraad geen ontvankelijk bezwaar aanhangig was als bedoeld in artikel 94, eerste lid, van de RAr, is verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

3.3.

Gelet op het voorgaande komt het Gerecht niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de door verzoeker aangevoerde gronden tegen de voortduring van de schorsing en de inhouding van zijn bezoldiging. Hetgeen partijen daarover hebben aangevoerd, behoeft daarom geen nadere bespreking.

3.4.

Deze niet-ontvankelijkverklaring berust uitsluitend op het oordeel dat ten tijde van het indienen van het bezwaar nog geen sprake was van een voor bezwaar vatbare fictieve weigering. Anders dan verzoeker betoogt, leidt dit niet tot het ontbreken van effectieve rechtsbescherming. De wetgever heeft rechtsbescherming tegen het uitblijven van een beslissing afhankelijk gesteld van de in artikel 3 van het Lba genoemde termijnen. Nu aan die voorwaarden nog niet was voldaan, kon verzoeker nog geen beroep doen op de regeling inzake de fictieve weigering. Zodra wel aan die voorwaarden is voldaan, staan de wettelijke rechtsmiddelen voor hem open.

3.5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechter in dit gerecht:

verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. B. Martinez-Hammer, ambtenarenrechter, bijgestaan door de griffier en uitgesproken in raadkamer op 3 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening kan geen hoger beroep worden ingesteld.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.