Uitspraak · Bestuursrecht

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, 5 december 2025

ECLI:NL:OGEAM:2025:156Zaaknummer SXM202500422-LAR00063/2025

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
24 augustus 2026
Zaaknummer
SXM202500422-LAR00063/2025
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Onvoldoende aannemelijk dat persoonlijke situatie zodanig bijzonder of uitzonderlijk is dat een uitzondering op het restrictieve beleid inzake vuurwapens gerechtvaardigd is. Er ontbreken concrete aanwijzingen dat betrokkene een verhoogd individueel veiligheidsrisico loopt. Een algemene toename van overvallen vormt daarvoor onvoldoende grond. Het algemeen belang van het weren van vuurwapens in het openbaar domein weegt zwaarder dan het persoonlijke veiligheidsbelang.

De beslissing

Het Gerecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Martinez-Hammer, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 5 december 2025.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;

- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;

- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.

Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.

BIJLAGE

Landsverordening houdende nadere voorzieningen op het stuk van wapens en munitie (Vuurwapenverordening)

Artikel 3

1. Het is verboden een vuurwapen of munitie voorhanden te hebben, behoudens de uitzonderingen in het volgende lid genoemd.

2. De bevoegdheid om een vuurwapen voorhanden te hebben, komt alleen toe:

[…]

5. aan hem, die het wapen voorhanden heeft met algemene of bijzondere machtiging van de Minister van Justitie, hierna te noemen: de minister. Aan de machtiging kunnen voorwaarden worden verbonden. Zij wordt alleen verleend voor zover enig redelijk belang dat vordert en misbruik van de machtiging of van het vuurwapen niet is te vrezen. Zij kan tot bepaalde tijden en plaatsen worden beperkt.

[…]

3. De machtiging bedoeld onder 5 van het voorgaande lid, wordt schriftelijk aangevraagd. De aanvrager verstrekt zo veel mogelijk de van hem gevraagde inlichtingen en bescheiden. Binnen een maand wordt op de aanvraag schriftelijk beschikt. Indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk niet wordt ingewilligd, is de beschikking met redenen omkleed.

Landsverordening houdende nadere voorzieningen op het stuk van wapens (Wapenverordening)

Artikel 1

1. Het is verboden op de openbare weg of op enige voor het publiek toegankelijke plaats een wapen bij zich te hebben.

[…]

Artikel 2

De bepaling van artikel 1 is niet toepasselijk:

[…]

9°. op hen, die voorzien zijn van een daartoe strekkende en overeenkomstig de volgende bepalingen geldige machtiging;

[…]

Artikel 3

De in artikel 2 bedoelde machtiging wordt verleend door of vanwege de minister:

1°. slechts voor de loop van het kalenderjaar, waarin zij wordt afgegeven;

2°. [vervallen]

3°. slechts ten name van één persoon, wordende deze persoon daarin zo nauwkeurig mogelijk aangewezen door vermelding van voornamen, geslachtsnaam, geboorteplaats, leeftijd, ambt of beroep, woon- of verblijfplaats.

[…]

Artikel 5

1. De machtiging wordt schriftelijk aangevraagd. De aanvrager verstrekt zoveel mogelijk de van hem gevraagde inlichtingen en bescheiden.

2. Binnen een maand wordt op de aanvraag schriftelijk beschikt. Indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk niet wordt ingewilligd, is de beschikking met redenen omkleed.

Weapon Policy 2022 (Wapenbeleid 2022)

2 Firearms permits for individuals

[…]

It follows from the wording and systematics of the legislation that individual possession of firearms in St. Maarten, like in the other Kingdom countries, should be restricted to special circumstances. Hence, in order to obtain a permit, an individual must not only establish the absence of fear of misuse, but there must also be an objectified reasonable interest to possess a firearm.

The wording of the law implicates that in Sint Maarten a general right to own a weapon does not exist. This is in contrast with other countries, for example such as the United States, where the right to self-defense is a Constitutional right and there is a more liberal approach for the possession of a firearm due to the Second Amendment. However, the character of the law is in line with the other countries within the Kingdom of the Netherlands.

Background of this legal approach is to minimalize weapon violence in society. Academic research from many sources (Harvard, Oxford) shows that the presence of weapons in society, even legal ones, increases the risk of weapon violence and the loss of lives and health. Also, there is always a risk that legal weapons end up in the illegal circuit (by theft or otherwise). Therefore, the procedure of granting weapon permits should be covered with sufficient guarantees.

The legislation states two requirements: a. reasonable interest; b. no fear of misuse.

These requirements are so-called ‘open standards’. This means that the legislator specifically grants the Minister a degree of discretion to determine whether a weapon permit should be granted. With this policy, the Minister aims to provide transparency and clarity about how this degree of discretion is applied in practice. This chapter addresses the interpretation of the open standards in general, while the next chapter will regard specific categories.

2.1

Reasonable interest-criteria

The assessment of the reasonable interest-criteria depends heavily on the circumstances of the case and should be determined on a case-to-case basis. However, in the interest of legal security and legal equality, the Minister finds it relevant to provide some guidance in the application of this criteria.

A balance of interest should be made between the interest of public safety in society and the applicant’s personal or business interest. Based on the aforementioned restrictive approach of the legislation, the existence of a reasonable interest will not easily be accepted. In principle, the general interest of public order and safety will be considered to prevail over the individual interest to possess a weapon. The burden of proof to establish a reasonable interest therefore lies with the applicant. An assessment will be made based on the general legal principles of proportionality and subsidiarity.

This means the applicant should establish:  the principle of proportionality: the personal interest of the applicant weighs heavier than the interest of society of limited weapon possession;  the principle of subsidiarity: a weapon permit is necessary to safeguard the individual interest of the applicant; this could not be in done in a different manner.

[…]

4 Weapon Committee

The Weapon Committee is an objective body that advises the Minister of Justice regarding the approval and denial of applications for a weapon license. This objective body has the necessary expertise to substantially advise the Minister in an adequate and timely manner. Although the composition of its members might change during the progress of time, the Weapon Committee as an advisory body must remain intact during the validity period of this weapon policy.

5.3.

First assessment Weapon Committee

The Weapon Committee reviews the application to establish whether:

a. a) the applicant has a reasonable interest to obtain a permit and

b) there is no fear of misuse.

The Weapon Committee will decide on these matters in accordance with the policy set

out in Chapters 2 and 3.

[…]

The assessment may lead to two different outcomes:

1. The applicant does not meet one or both requirements.

The Committee drafts a motivated advice to the Minister to deny the application. The

Minister will generally follow this motivation and advice and render a negative decision.

[…]

Volledige tekst

Uitspraakdatum: 5 december 2025

Zaaknummer: SXM202500422-LAR00063/2025

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

UITSPRAAK

In het geding van:

[eiser],

eiser,

gemachtigden: mr. B. BROOKS en mr. A.P. RICHARDSON,

tegen

DE MINISTER VAN JUSTITIE VAN SINT MAARTEN,

gezeteld te Sint Maarten,

verweerder,

gemachtigde: mr. R.F. GIBSON jr.,

Procesverloop

Bij beschikking van 28 februari 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een machtiging tot het voorhanden hebben en dragen van een vuurwapen in het openbaar (hierna ook: een machtiging) voor het jaar 2025 afgewezen.

Eiser heeft bij beroepschrift (met producties) van 10 april 2025, ingediend ter griffie van het Gerecht alhier, beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking.

Verweerder heeft een verweerschrift (met producties) ingediend.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 november 2025. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde, die het woord heeft gevoerd aan de hand van door hem overgelegde pleitaantekeningen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die werd vergezeld door [naam lid Kabinet], lid van het Kabinet van de Minister van Justitie.

Uitspraak is (vervroegd) bepaald op vandaag.

Beoordeling door het Gerecht

Wat is in deze zaak relevant om te weten?

1.1. Eiser is een organisator en promotor van evenementen en feesten op Sint Maarten. Gedurende het carnavalsseizoen en de kerstperiode vinden de meeste evenementen plaats. Bij deze evenementen wordt veelal contant betaald, waarbij eiser de opbrengsten aan het einde van het evenement meeneemt ter storting bij de bank. Omdat de evenementen vaak midden in de nacht pas afgelopen zijn, neemt eiser de opbrengsten mee naar huis om het geld de volgende dag bij de bank te storten.

1.2. Eiser heeft verweerder bij brief van 24 november 2023 verzocht om een machtiging voor het voorhanden hebben en dragen van een vuurwapen in het openbaar, ter bescherming van zichzelf en zijn gezin. Bij beschikking van 16 april 2024 is door verweerder een machtiging verleend voor het kalenderjaar 2024. Eiser heeft vervolgens een vuurwapen aangeschaft en gedurende 2024 voorhanden gehad en gedragen.

1.3. Op 11 november 2024 heeft eiser bij verweerder een aanvraag voor een (vernieuwing van zijn) machtiging ingediend. Bij deze aanvraag heeft eiser de volgende documenten gevoegd: verklaringen omtrent zijn fysieke en psychische gesteldheid, een beoordelingsformulier inzake een schietvaardigheidstoets en een verklaring omtrent het gedrag van eiser.

1.4. Bij brief van 17 februari 2025 heeft de wapencommissie verweerder geadviseerd om de aanvraag van eiser om een machtiging af te wijzen. Verweerder heeft vervolgens bij de bestreden beschikking die aanvraag afgewezen.

1.5. Eiser heeft op 10 april 2025 het Gerecht verzocht om de bestreden beschikking te schorsen en om eiser bij wijze van voorlopige voorziening toe te staan zijn vuurwapen te mogen dragen totdat op het beroep in de bodemzaak is beslist. Bij uitspraak van 25 april 2025 van het Gerecht zijn deze verzoeken afgewezen (ECLI:NL:OGEAM:2025:18).

1.6. De toepasselijke wettelijke bepalingen en de toepasselijke beleidsregels zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak, die daarvan deel uitmaakt.

Wat heeft verweerder aan de bestreden beschikking ten grondslag gelegd?

2.1. Verweerder heeft aan de afwijzing van de aanvraag om een machtiging het volgende ten grondslag gelegd. Op basis van het wettelijk stelsel en het beleid als neergelegd in de Weapon Policy 2022 is geen sprake van een redelijk belang dat afgifte van een machtiging aan eiser vordert. Met verwijzing naar het negatieve advies van de wapencommissie, stelt verweerder dat zelfbescherming als rechtvaardiging voor vuurwapenbezit alleen in uitzonderlijke gevallen aan de orde is, waarbij sprake moet zijn van een absolute, dringende en aantoonbare noodzaak die niet met alternatieve middelen kan worden verzacht. In dit geval is onvoldoende bewijs voor een dergelijke dringende noodzaak. Bovendien blijven erkende beveiligingsdiensten de juiste en geprefereerde beschermingsmethode voor bedrijfseigenaren. De financiële gevolgen van het inhuren van particuliere beveiliging vormen geen grond voor een uitzondering op dit principe. Verder rechtvaardigt het feit dat eiser eerder over een machtiging beschikte, niet automatisch de afgifte van een nieuwe vergunning. Een nieuwe aanvraag moet voldoen aan de wettelijke en beleidsmatige vereisten die van kracht waren op het moment van beoordeling, aldus verweerder.

2.2. In het verweerschrift en ter zitting is namens verweerder hieraan toegevoegd dat de eerdere machtiging uit 2024 is verleend tegen het advies van de wapencommissie in en dat die afwijking destijds onvoldoende gemotiveerd is. Bij een nieuwe aanvraag vindt een nieuwe beoordeling plaats. Bij die nieuwe aanvraag zijn geen andere feiten en omstandigheden naar voren gebracht en is overigens ook geen nieuwe motivatiebrief ingediend.

Beroepsgronden

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat de beschikking in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Eiser heeft dezelfde aanvraag gedaan als in 2023. In tegenstelling tot toen is verweerder ditmaal niet met hem in overleg gegaan om na te gaan of er alternatieven bestonden. Dit had wel moeten gebeuren. Het standpunt van verweerder dat die alternatieven er zijn, klopt namelijk niet. De benodigde bewapende beveiliging tijdens de nachtelijke uren wordt feitelijk niet geboden. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser stukken overgelegd, waarin diverse beveiligingsbedrijven in Sint Maarten desgevraagd aangeven dat zij deze service niet (kunnen) bieden. Daar komt bij dat het aantal overvallen de afgelopen periode alleen maar is toegenomen. Verweerder heeft verzuimd in de overwegingen te betrekken dat eiser een publiek figuur is op Sint Maarten en dat zijn evenementen eveneens bekend zijn. Verweerder heeft nagelaten mee te nemen dat eiser de machtiging vorig jaar wel heeft verkregen, dat het veiligheidsrisico nu groter is dan in 2024, dat eiser een modelburger is en het vuurwapen nooit heeft gebruikt.

Het oordeel van het Gerecht 4.1. Het Gerecht neemt bij zijn beoordeling het volgende tot uitgangspunt. Het wettelijk systeem geeft verweerder een discretionaire bevoegdheid om te bepalen of een machtiging moet worden verleend. Verweerder heeft voor de toepassing van deze bevoegdheid beleid gepubliceerd, dat uit gaat van een algemeen verbod op het voorhanden hebben en dragen van vuurwapens en een (zeer) restrictieve toepassing van de discretionaire bevoegdheid van verweerder om een machtiging te verlenen om toch een vuurwapen voorhanden te hebben en/of te dragen in het openbaar. Het bestaan van een ‘redelijk belang’ bij het verkrijgen van een machtiging wordt daarbij niet licht aanvaard. Het algemeen belang van de openbare orde en veiligheid weegt in beginsel zwaarder dan het individuele belang om een wapen te bezitten en de bewijslast van het ‘redelijk belang’ ligt bij de aanvrager, aldus het beleid. Verder moet worden voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit en dient het verkrijgen van een machtiging noodzakelijk te zijn om het belang van de aanvrager te beschermen.

4.2. Verweerder heeft zich in dit geval, overeenkomstig het beleid, laten adviseren door de wapencommissie. Deze commissie heeft negatief geadviseerd en verweerder heeft dit advies gevolgd. In de bestreden beschikking is met verwijzing naar het advies van de wapencommissie gemotiveerd waarom verweerder geen uitzondering voor eiser maakt en is het belang van eiser afgewogen tegen het algemeen belang, waarbij de weging in het nadeel van eiser is uitgevallen.

4.3. Het Gerecht is met verweerder van oordeel dat eiser onvoldoende heeft geconcretiseerd wat zijn situatie zodanig bijzonder of uitzonderlijk maakt dat voor hem een uitzondering gemaakt moet worden op het algemene restrictieve uitgangspunt. Eiser verschilt feitelijk niet van andere ondernemers in de horeca die in de nachtelijke uren na sluitingstijd met de dagopbrengst naar huis gaan. Hoewel de zorgen van eiser invoelbaar zijn, moet worden geconstateerd dat er geen specifieke aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat eiser meer dan anderen heeft te vrezen voor zijn veiligheid. De gestelde recente toename van overvallen, voor zover dat juist zou zijn, geldt voor iedereen en rechtvaardigt geen individuele uitzondering. Verweerder heeft aldus, tegen de achtergrond van het restrictieve beleid, in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat geen sprake is van een redelijk belang dat afgifte van een machtiging vordert. Verweerder mag het algemeen belang van het weren van vuurwapens in het openbaar domein zwaarder laten wegen dan het persoonlijk belang van verzoeker om zich te beveiligen.

4.4. De onderbouwde stelling van eiser, dat er geen alternatieven beschikbaar zijn in de vorm van bewapende beveiliging in de nachtelijke uren, maakt het voorgaande niet anders. Aangenomen kan immers worden dat dit geldt voor alle ondernemers in de horeca die met vergelijkbare risico’s worden geconfronteerd. Dit leidt dus evenmin tot de conclusie dat de situatie van eiser zodanig bijzonder of uitzonderlijk is dat hierom een uitzondering voor hem moet worden gemaakt. Daarbij komt dat verweerder – net als de wapencommissie in het advies – niet vermeldt dat het alternatief van bewapende beveiliging in de nachtelijke uren beschikbaar is, maar slechts heeft overwogen dat erkende beveiligingsbedrijven het belangrijkste beschermingsmiddel voor bedrijfseigenaren dienen te blijven. Dit is – gelet op het hiervoor weergegeven (zeer) restrictieve beleid van verweerder voor het afgeven van een machtiging in een individueel geval – een realistisch uitgangspunt dat in redelijkheid in aanmerking kan worden genomen door verweerder als alternatief voor de verzochte machtiging.

4.5. De omstandigheid dat in 2024 wél een machtiging aan verzoeker is verleend, onder vergelijkbare omstandigheden, leidt evenmin tot een ander oordeel. Verweerder heeft onder overlegging van een eerder advies van 14 februari 2024 voldoende onderbouwd dat destijds eveneens een negatief advies door de wapencommissie was afgegeven, maar dat de toenmalige Minister dat advies zonder nadere motivering naast zich neer heeft gelegd en een machtiging heeft verleend voor het kalenderjaar 2024. De stelling van eiser, dat een ander (positief) advies aan de eerder verleende machtiging ten grondslag zou hebben gelegen, is niet onderbouwd. Het Gerecht gaat dan ook voorbij aan deze stelling. Verder is van belang dat een machtiging voor een (kalender)jaar wordt afgegeven en dat een eerder verleende machtiging verweerder niet verplicht tot het afgeven van een nieuwe machtiging, temeer indien dit in strijd is met het gevoerde beleid. Evenmin is verweerder verplicht om alvorens een beslissing te nemen met eiser in overleg te gaan. Van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, motiveringsbeginsel of evenredigheidsbeginsel is gelet op al het voorgaande geen sprake.

4.6. Eiser heeft er tenslotte ter zitting op gewezen dat verweerder in strijd met zijn restrictieve beleid aan een persoon een machtiging heeft afgegeven voor trainingsdoeleinden (schietoefeningen) op het Franse deel van het eiland. Eiser verwijst hierbij naar het proces-verbaal van de zitting in de voorlopige voorziening-procedure, waaruit zou blijken dat de gemachtigde van verweerder dit heeft verklaard. Anders dan eiser stelt, biedt de enkele (vast)stelling dat in een ander, niet-vergelijkbaar, geval een machtiging is verleend geen grond voor de conclusie dat verweerder willekeurig handelt of zijn beleid niet consistent toepast. De stelling van eiser slaagt dan ook niet.

Conclusie

5.1. Het beroep is ongegrond. De bestreden beschikking blijft daarmee in stand.

5.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing

Het Gerecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Martinez-Hammer, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 5 december 2025.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;

- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;

- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.

Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.

BIJLAGE

Landsverordening houdende nadere voorzieningen op het stuk van wapens en munitie (Vuurwapenverordening)

Artikel 3

1. Het is verboden een vuurwapen of munitie voorhanden te hebben, behoudens de uitzonderingen in het volgende lid genoemd.

2. De bevoegdheid om een vuurwapen voorhanden te hebben, komt alleen toe:

[…]

5. aan hem, die het wapen voorhanden heeft met algemene of bijzondere machtiging van de Minister van Justitie, hierna te noemen: de minister. Aan de machtiging kunnen voorwaarden worden verbonden. Zij wordt alleen verleend voor zover enig redelijk belang dat vordert en misbruik van de machtiging of van het vuurwapen niet is te vrezen. Zij kan tot bepaalde tijden en plaatsen worden beperkt.

[…]

3. De machtiging bedoeld onder 5 van het voorgaande lid, wordt schriftelijk aangevraagd. De aanvrager verstrekt zo veel mogelijk de van hem gevraagde inlichtingen en bescheiden. Binnen een maand wordt op de aanvraag schriftelijk beschikt. Indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk niet wordt ingewilligd, is de beschikking met redenen omkleed.

Landsverordening houdende nadere voorzieningen op het stuk van wapens (Wapenverordening)

Artikel 1

1. Het is verboden op de openbare weg of op enige voor het publiek toegankelijke plaats een wapen bij zich te hebben.

[…]

Artikel 2

De bepaling van artikel 1 is niet toepasselijk:

[…]

9°. op hen, die voorzien zijn van een daartoe strekkende en overeenkomstig de volgende bepalingen geldige machtiging;

[…]

Artikel 3

De in artikel 2 bedoelde machtiging wordt verleend door of vanwege de minister:

1°. slechts voor de loop van het kalenderjaar, waarin zij wordt afgegeven;

2°. [vervallen]

3°. slechts ten name van één persoon, wordende deze persoon daarin zo nauwkeurig mogelijk aangewezen door vermelding van voornamen, geslachtsnaam, geboorteplaats, leeftijd, ambt of beroep, woon- of verblijfplaats.

[…]

Artikel 5

1. De machtiging wordt schriftelijk aangevraagd. De aanvrager verstrekt zoveel mogelijk de van hem gevraagde inlichtingen en bescheiden.

2. Binnen een maand wordt op de aanvraag schriftelijk beschikt. Indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk niet wordt ingewilligd, is de beschikking met redenen omkleed.

Weapon Policy 2022 (Wapenbeleid 2022)

2 Firearms permits for individuals

[…]

It follows from the wording and systematics of the legislation that individual possession of firearms in St. Maarten, like in the other Kingdom countries, should be restricted to special circumstances. Hence, in order to obtain a permit, an individual must not only establish the absence of fear of misuse, but there must also be an objectified reasonable interest to possess a firearm.

The wording of the law implicates that in Sint Maarten a general right to own a weapon does not exist. This is in contrast with other countries, for example such as the United States, where the right to self-defense is a Constitutional right and there is a more liberal approach for the possession of a firearm due to the Second Amendment. However, the character of the law is in line with the other countries within the Kingdom of the Netherlands.

Background of this legal approach is to minimalize weapon violence in society. Academic research from many sources (Harvard, Oxford) shows that the presence of weapons in society, even legal ones, increases the risk of weapon violence and the loss of lives and health. Also, there is always a risk that legal weapons end up in the illegal circuit (by theft or otherwise). Therefore, the procedure of granting weapon permits should be covered with sufficient guarantees.

The legislation states two requirements: a. reasonable interest; b. no fear of misuse.

These requirements are so-called ‘open standards’. This means that the legislator specifically grants the Minister a degree of discretion to determine whether a weapon permit should be granted. With this policy, the Minister aims to provide transparency and clarity about how this degree of discretion is applied in practice. This chapter addresses the interpretation of the open standards in general, while the next chapter will regard specific categories.

2.1

Reasonable interest-criteria

The assessment of the reasonable interest-criteria depends heavily on the circumstances of the case and should be determined on a case-to-case basis. However, in the interest of legal security and legal equality, the Minister finds it relevant to provide some guidance in the application of this criteria.

A balance of interest should be made between the interest of public safety in society and the applicant’s personal or business interest. Based on the aforementioned restrictive approach of the legislation, the existence of a reasonable interest will not easily be accepted. In principle, the general interest of public order and safety will be considered to prevail over the individual interest to possess a weapon. The burden of proof to establish a reasonable interest therefore lies with the applicant. An assessment will be made based on the general legal principles of proportionality and subsidiarity.

This means the applicant should establish:  the principle of proportionality: the personal interest of the applicant weighs heavier than the interest of society of limited weapon possession;  the principle of subsidiarity: a weapon permit is necessary to safeguard the individual interest of the applicant; this could not be in done in a different manner.

[…]

4 Weapon Committee

The Weapon Committee is an objective body that advises the Minister of Justice regarding the approval and denial of applications for a weapon license. This objective body has the necessary expertise to substantially advise the Minister in an adequate and timely manner. Although the composition of its members might change during the progress of time, the Weapon Committee as an advisory body must remain intact during the validity period of this weapon policy.

5.3.

First assessment Weapon Committee

The Weapon Committee reviews the application to establish whether:

a. a) the applicant has a reasonable interest to obtain a permit and

b) there is no fear of misuse.

The Weapon Committee will decide on these matters in accordance with the policy set

out in Chapters 2 and 3.

[…]

The assessment may lead to two different outcomes:

1. The applicant does not meet one or both requirements.

The Committee drafts a motivated advice to the Minister to deny the application. The

Minister will generally follow this motivation and advice and render a negative decision.

[…]

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.