Uitspraak · Belastingrecht

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 12 oktober 2026

ECLI:NL:OGEAC:2026:189Zaaknummer CUR202600939

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
12 oktober 2026
Publicatiedatum
15 oktober 2026
Zaaknummer
CUR202600939
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De Inspecteur handelt in strijd met artikel 15, lid 8, ALL door niet binnen een half jaar na de definitieve aangifte een aanslag op te leggen met een terug te geven bedrag. Het Gerecht draagt de Inspecteur op om binnen twee maanden de negatieve aanslag op te leggen.

6 DE BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart het beroep wegens het niet tijdig beslissen gegrond;

- draagt de Inspecteur op binnen twee maanden na toezending van deze uitspraak een belastingaanslag winstbelasting 2023 op te leggen naar een terug te geven bedrag van NAf 27.877; en

- draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van Cg 150 te vergoeden.

Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, rechter, en uitgesproken op 12 oktober 2026, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18

Willemstad

Curaçao

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:

belastinggriffie@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

- natuurlijke personen: Cg 200

- personenvennootschappen en rechtspersonen: Cg 500

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 PROCESVERLOOP
  2. 2 FEITEN
  3. 3 GESCHIL
  4. 4 OVERWEGINGEN
  5. Ontvankelijkheid bezwaar
  6. 5 PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
  7. 6 DE BESLISSING

Uitspraak van 12 oktober 2026

BBZ nr. CUR202600939

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[belanghebbende] B.V. , gevestigd te Curaçao,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Op 29 september 2023 heeft belanghebbende voor het jaar 2023 voorlopige aangifte winstbelasting gedaan naar een bedrag aan verschuldigde winstbelasting van NAf 91.093. Voornoemd bedrag heeft belanghebbende op diezelfde dag betaald.

1.2

Op 17 juni 2024 heeft belanghebbende voor het jaar 2023 definitieve aangifte winstbelasting gedaan naar een bedrag aan verschuldigde winstbelasting van NAf 63.216.

1.3

Belanghebbende heeft op 5 februari 2025 een bezwaarschrift ingediend tegen het niet opleggen van een (negatieve) belastingaanslag winstbelasting voor het jaar 2023.

1.4

Belanghebbende heeft op 13 maart 2026 beroep ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op het bezwaar tegen het niet opleggen van een (negatieve) belastingaanslag. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van Cg 150.

1.5

De Inspecteur heeft op 20 augustus 2026 gereageerd op het beroepschrift.

1.6

De zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2026 te Willemstad. Belanghebbende is vertegenwoordigd door [gemachtigde 1]. Namens de Inspecteur is verschenen [X] LL.M.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende heeft een gebroken boekjaar dat loopt van 1 juli tot en met 30 juni.

2.2

Op 29 september 2023 heeft belanghebbende voor het jaar 2023 voorlopige aangifte winstbelasting gedaan naar een bedrag aan verschuldigde winstbelasting van NAf 91.093. Voornoemd bedrag heeft belanghebbende op diezelfde dag betaald.

2.3

Op 17 juni 2024 heeft belanghebbende voor het jaar 2023 definitieve aangifte winstbelasting gedaan naar een bedrag aan verschuldigde winstbelasting van NAf 63.216. De definitieve aangifte resulteert - gelet op het aangegeven bedrag van de voorlopige aangifte - in een door belanghebbende terug te ontvangen bedrag van NAf 27.877.

3 GESCHIL

3.1

Het geschil betreft de vraag of de Inspecteur verplicht is om een negatieve belastingaanslag winstbelasting 2023 naar een terug te geven bedrag van NAf 27.877 op te leggen.

3.2

Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend. De Inspecteur stelt dat alvorens tot teruggaaf kan worden overgegaan belanghebbende nadere informatie dient te verstrekken.

4 OVERWEGINGEN

Ontvankelijkheid bezwaar

4.1

Ingevolge artikel 15, lid 8 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) legt de Inspecteur, indien bij de definitieve aangifte de berekening van de verschuldigde belasting resulteert in een door de belastingplichtige terug te ontvangen bedrag, binnen zes maanden na indiening van de definitieve aangifte een aanslag op. Indien de Inspecteur de aanslag niet binnen die termijn oplegt wordt hiervan aan de belastingplichtige schriftelijk en gemotiveerd mededeling gedaan (artikel 15, lid 9, ALL).

4.2

Belanghebbende heeft de definitieve aangifte ingediend op 17 juni 2024. Omdat de aangifte resulteerde in een terug te ontvangen bedrag was de Inspecteur gehouden om uiterlijk 17 december 2024 een belastingaanslag op te leggen. De Inspecteur heeft, zonder daarvan schriftelijk en gemotiveerd mededeling te doen, geen belastingaanslag opgelegd.

4.3

Ingevolge artikel 29, lid 1, ALL kan, voor zover hier van belang, de belastingplichtige bezwaar indienen tegen een door de Inspecteur genomen voor bezwaar vatbare beschikking. In artikel 29, lid 5, ALL is bepaald dat met een voor bezwaar vatbare beschikking wordt gelijkgesteld het weigeren een besluit te nemen en het niet-tijdig nemen van een besluit. De bezwaartermijn vangt dan aan zodra de wettelijke termijn voor het nemen van een besluit is verstreken. Ook bij het opleggen van een belastingaanslag is sprake van het nemen van een besluit.[_dd4ef91c-e435-47d4-8c43-5a3304e99369]

4.4

De wettelijke termijn voor het opleggen van een belastingaanslag is op 17 december 2024 verstreken. Belanghebbende heeft op 5 februari 2025 een bezwaarschrift ingediend tegen het niet opleggen van een (negatieve) belastingaanslag winstbelasting voor het jaar 2023. Het bezwaar is ingediend binnen de wettelijke termijn van twee maanden na 17 december 2024 en dus tijdig

Ontvankelijkheid beroep niet tijdig beslissen

4.5

Ingevolge artikel 30, lid 2, ALL is een uitspraak op een bezwaarschrift niet tijdig gedaan, als de Inspecteur niet binnen negen maanden na ontvangst van het bezwaarschrift, in dit geval dus uiterlijk op 5 november 2025, een uitspraak heeft gedaan.

4.6

Ingevolge artikel 31, lid 1, ALL kan binnen twaalf maanden, in dit geval dus uiterlijk op 5 november 2026, beroep worden ingesteld wegens het niet tijdig doen van een uitspraak op een bezwaarschrift.

4.7

Belanghebbende heeft op 13 maart 2026 beroep ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Dit beroep is tijdig ingesteld.

4.8

De Inspecteur heeft nog immer geen beslissing op het bezwaar genomen. Het beroep wegens het niet tijdig beslissen dient derhalve gegrond te worden verklaard. Het Gerecht ziet er evenwel om proces-economische redenen van af om de Inspecteur op te dragen alsnog een beslissing te nemen op het bezwaar.

Inhoudelijk: negatieve aanslag

4.9

De vraag die beantwoord moet worden is of de Inspecteur een belastingaanslag moet opleggen met een terug te geven bedrag van NAf 27.877. De Inspecteur beantwoordt die vraag ontkennend. De Inspecteur heeft in de reactie op het beroepschrift verwezen naar e-mailcorrespondentie tussen een medewerker van de afdeling aanslagregeling winstbelasting en belanghebbende. Op 7 en 12 augustus 2026 is belanghebbende verzocht om nadere informatie te verstrekken in verband met een inhoudelijke beoordeling van de (definitieve) aangifte winstbelasting 2023.

4.10

Het Gerecht overweegt als volgt. Artikel 15, lid 8 en 9, ALL zijn bij invoering van de ALL[_d2a6c9a1-faf8-4969-be92-ccb89842067f] overgenomen van de daarvóór geldende, nagenoeg gelijkluidende, bepalingen in artikel 24, lid 1 en 2 van de Landsverordening op de Winstbelasting 1940 (LWB). In de Memorie van Toelichting behorend bij de Landsverordening tot wijziging van de Landsverordening op de Winstbelasting 1940[_6ecf01a4-95f8-4b61-a875-39543fa74120] is over artikel 24, lid 1 en 2, LWB opgemerkt:

“Indien uit de definitieve aangifte blijkt dat de eerdere voorlopige aangifte te hoog is geweest, dan zal de Inspecteur een verminderingsaanslag moeten opleggen. Zonder deze aanslag bestaat er geen titel voor de Ontvanger om tot uitbetaling over te gaan. De termijn waarbinnen de Inspecteur de verminderingsaanslag moet opleggen wordt gesteld op 6 maanden. Van een situatie waarbij mogelijkerwijs uitstel van de aanslag gewenst is, zal sprake kunnen zijn indien een nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht, waarbij de verwachting is dat een naheffing zal plaatsvinden. Het zou naar de mening van de eerste ondergetekende onjuist zijn om in een zodanig geval eerst tot terugbetaling over te gaan om vervolgens weer tot vordering over te gaan.”

4.11

De hoofdregel, geformuleerd in artikel 15, lid 8, ALL, is dat binnen een half jaar na indiening van de definitieve aangifte een negatieve aanslag wordt opgelegd. Op grond van de tekst van artikel 15, lid 9, ALL en de hiervoor vermelde parlementaire toelichting kan van die hoofdregel worden afgeweken in die zin dat de belastingaanslag opgelegd kan worden ná de termijn van zes maanden van artikel 15, lid 8 ALL én dat daarbij kan worden afgeweken van de aangifte. Voorwaarde daarbij is dat van de latere vaststelling van de belastingaanslag door de Inspecteur gemotiveerd en schriftelijk mededeling wordt gedaan. Het Gerecht is van oordeel dat die mededeling gedaan moet worden binnen de zesmaands termijn van artikel 15, lid 8, ALL. Als niet aan die voorwaarde wordt voldaan dan dient de belastingaanslag binnen de zesmaands termijn te worden opgelegd én dan dient daarbij de aangifte gevolgd te worden. Een andersluidende uitleg zou tot gevolg hebben dat artikel 15, lid 8, ALL in de praktijk feitelijk betekenisloos zou zijn.[_1fc1825a-7faa-4b1c-bcba-dea753fb4964]

4.12

Een medewerker van de afdeling aanslagregeling winstbelasting heeft (voor het eerst) op 7 augustus 2026, dat is ruim één jaar en negen maanden na het verstrijken van de termijn van artikel 15, lid 8, ALL en nog geen twee weken voor de zitting, schriftelijk en gemotiveerd meegedeeld waarom niet tijdig een negatieve aanslag is opgelegd. Omdat hiermee niet tijdig aan de in 4.11 vermelde voorwaarde is voldaan dient de Inspecteur zo spoedig mogelijk een belastingaanslag met een terug te geven bedrag van NAf 27.877 op te leggen. Het Gerecht stelt de termijn waarbinnen de belastingaanslag moet worden opgelegd op twee maanden na toezending van de onderhavige uitspraak. Overigens hoeft dit de Inspecteur er niet van te weerhouden om een nader onderzoek in te stellen en, zo dat onderzoek daar aanleiding toe geeft, in een later stadium een naheffingsaanslag winstbelasting op te leggen.

5 PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

5.1

Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van de (proces)kosten voor de bezwaar- en beroepsfase.

5.2

Het Gerecht ziet, gegeven het feit dat belanghebbende wordt vertegenwoordigd door haar bestuurder/aandeelhouder, geen aanleiding voor een kostenveroordeling nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.

5.3

Wel dient de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van Cg 150 te vergoeden.

6 DE BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart het beroep wegens het niet tijdig beslissen gegrond;

- draagt de Inspecteur op binnen twee maanden na toezending van deze uitspraak een belastingaanslag winstbelasting 2023 op te leggen naar een terug te geven bedrag van NAf 27.877; en

- draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van Cg 150 te vergoeden.

Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, rechter, en uitgesproken op 12 oktober 2026, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18

Willemstad

Curaçao

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:

belastinggriffie@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

- natuurlijke personen: Cg 200

- personenvennootschappen en rechtspersonen: Cg 500

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.