Uitspraak · Bestuursrecht
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 10 juli 2026
ECLI:NL:OGEAC:2026:150Zaaknummer CUR202600290
- Instantie
- Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
- Datum uitspraak
- 10 juli 2026
- Publicatiedatum
- 20 augustus 2026
- Zaaknummer
- CUR202600290
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Bodemzaak, Eerste aanleg - enkelvoudig
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Niet alle eisers zijn belanghebbende bij het beroep tegen de beschikking op het Lob-verzoek. Beroep van eiser 1 is ongegrond.
Beslissing
Het Gerecht:
- verklaart het beroep van eisers 2 tot en met 14 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van eiser 1 tegen de bestreden beschikking ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Uitspraak
in het geding tussen:
[eiser 1},
wonende te Curaçao,
eiser 1,
2. [eiser 2] en
3. [eiser3], 4. [eiser 4], 5. [eiser 5], 6. [eiser 6], 7. [eiser 7], 8. [eiser 8], 9. [eiser 9], 10. [eiser 10], 11. [eiser 11], 12. [eiser 12], 13. [eiser 13] en 14. [eiser 14],
eisers 2 tot en met 14,
en
de minister van Gezondheid, Milieu en Natuur (GMN),
verweerder,
gemachtigde: mr. H.W. Braam.
Partijen worden in deze uitspraak hierna eisers en de minister genoemd.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eiser tegen de beslissing van de minister op zijn verzoek op grond van de Landsverordening openbaarheid van bestuur (Lob).
De minister heeft deze beslissing genomen op 7 januari 2026 en verzonden op 14 januari 2026 (de bestreden beschikking). Eiser heeft daartegen op 27 januari 2026 beroep ingesteld. Eiser heeft een aanvulling op zijn beroep gestuurd per mail van 3 februari 2026 en op 25 maart 2025 heeft hij aanvullende gronden ingediend.
De minister heeft met een verweerschrift op het beroep gereageerd. Vervolgens heeft eiser een conclusie van repliek en de minister een conclusie van dupliek ingediend.
Het Gerecht heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser 1 is verschenen, vergezeld van eisers 5 en 8. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door de heer Y. Stokkermans, specialistisch adviseur luchtkwaliteit van het ministerie GMN.
Beoordeling door het Gerecht
Het Gerecht komt tot het oordeel dat niet alle eisers belanghebbende zijn bij het beroep. Alleen eiser 1 is belanghebbende omdat hij het Lob-verzoek heeft ingediend en de bestreden beschikking ook aan hem is gericht. Eiser 1 is ontvankelijk. De overige eisers 2 tot en met 14 zijn niet-ontvankelijk.
Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep van eiser 1 tegen de bestreden beschikking ongegrond is. Eiser 1 heeft geen beroepsgronden aangevoerd die betrekking hebben op de beslissing van de minister op zijn Lob-verzoek.
Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wie zijn belanghebbenden bij het beroep?
3. De eerste vraag die het Gerecht ambtshalve moet beantwoorden is of alle eisers als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. Alleen belanghebbenden bij een beschikking kunnen immers beroep instellen daartegen.
Artikel 7, eerste lid, van de Lar bepaalt dat natuurlijke personen of rechtspersonen, die door een beschikking rechtstreeks in hun belang zijn getroffen, daartegen beroep kunnen instellen bij het Gerecht.
Ter voorlichting aan eisers merkt het Gerecht op dat uit artikel 7 van de Lar volgt dat de beoordeling of een natuurlijke of rechtspersoon belanghebbende bij een beschikking is dus afhangt van de inhoud van de beschikking. Dat sommige eisers in de eerder bij het Gerecht gevoerde procedure met nummer CUR202505115 wel als belanghebbende zijn aangemerkt, betekent niet dat zij in deze procedure dus ook belanghebbende zijn. In de zaak met nummer CUR202505115 ging het immers om een andere beschikking dan in deze zaak. Het Gerecht stelt vast dat het Lob-verzoek alleen is ondertekend door eiser 1 en dat de bestreden beschikking ook alleen aan eiser 1 is gericht. Eiser 1 heeft ter zitting bevestigd dat hij het Lob-verzoek alleen heeft ingediend en niet (mede) namens de overige eisers. Het Gerecht is daarom van oordeel dat alleen eiser 1 als belanghebbende bij de bestreden beschikking kan worden aangemerkt. Het beroep van eiser 1 is ontvankelijk, de beroepen van eisers 2 tot en met 14 zijn niet-ontvankelijk.
Het Gerecht zal nu alleen het beroep van eiser 1 ontvankelijk is, in het vervolg van deze uitspraak eiser 1 aanduiden als eiser.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
4. Het Gerecht gaat uit van de volgende feiten.
Eiser heeft in zijn Lob-verzoek verzocht om alle documenten met betrekking tot het bouwproject Zakitó over -kort samengevat- 1. hindervergunningen, 2. ontheffing op grond van de Rifbeheerverordening Curaçao en 3. ontheffing op grond van de Landsverordening grondslagen natuurbeheer en -bescherming of andere relevante landsverordeningen.
De minister heeft in de bestreden beschikking per onderdeel van het Lob-verzoek weergegeven welke documenten hij bij zijn zoekslag naar aanleiding van het verzoek wel en niet heeft aangetroffen. Met betrekking tot onderdeel 1 zijn geen documenten aangetroffen. Met betrekking tot onderdeel 2 is een ontheffing aangetroffen, die aan eiser is verstrekt met bijbehorende relevante milieustudies en ontwerpen. Met betrekking tot onderdeel 3 is geen ontheffing aangetroffen op grond van de genoemde landsverordening. Wel heeft de minister op dit onderdeel een vergunning voor baggerwerkzaamheden op grond van de Landsverordening openbare orde gevonden, alsmede een Letter of Intent, een archeologisch advies, een toestemmingsbrief VVRP en een vergunning op grond van de Landsverordening maritiem beheer. Ook deze documenten zijn aan eiser verstrekt.
Wat voert eiser aan en wat vindt het Gerecht daarvan?
5. Eiser heeft diverse beroepsgronden aangevoerd die kort samengevat zien op:
- de effecten van het bouwproject op het milieu en de volksgezondheid;
- het feit dat het project door de minister is vrijgesteld van een hindervergunning;
- het feit dat omwonenden niet zijn geïnformeerd over de baggerwerkzaamheden;
- het feit dat het bouwproject niet integraal is beoordeeld.
6. Het Gerecht stelt vast dat de beroepsgronden geen betrekking hebben op de bestreden beschikking, maar op het al dan niet verlenen van vergunningen en/of ontheffingen dan wel op handhaving. Het Gerecht heeft dit op zitting met eiser besproken en uitgelegd dat de wet (de Lar) de omvang van het geding beperkt, in dit geval tot de toetsing van de beslissing van de minister op het Lob-verzoek van eiser. De wet staat dus niet toe dat het Gerecht een oordeel geeft over de door eiser aangevoerde beroepsgronden. Eiser heeft desgevraagd verklaard dat hij geen beroepsgronden heeft tegen de bestreden beschikking, omdat zijn Lob-verzoek daarin volledig is beantwoord.
7. Het Gerecht is van oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is, omdat hij geen beroepsgronden heeft aangevoerd die betrekking hebben op de beslissing van de minister op zijn Lob-verzoek (de bestreden beschikking).
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep van eisers 2 tot en met 14 is niet-ontvankelijk, omdat deze eisers niet als belanghebbenden bij de bestreden beschikking kunnen worden aangemerkt. Het beroep van eiser 1 is ongegrond. Dat betekent dat de bestreden beschikking in stand blijft. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het Gerecht:
- verklaart het beroep van eisers 2 tot en met 14 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van eiser 1 tegen de bestreden beschikking ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.