Uitspraak · Civiel recht

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 29 juni 2026

ECLI:NL:OGEAC:2026:141Zaaknummer CUR202505134

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
13 augustus 2026
Zaaknummer
CUR202505134
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bodemzaak. Verzet tegen dwanginvordering bestuurlijke boete. Geen schorsende werking. Belangenafweging.

5 De beslissing

Het gerecht:

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt Mangusa in de proceskosten van FTAC van Cg 2.500, te vermeerderen met Cg 250 aan nakosten zonder betekening, verhoogd met Cg 150 in geval van betekening;

5.3.

bepaalt dat de proceskosten moeten worden betaald binnen veertien dagen en dat die kosten worden verhoogd met de wettelijke rente als niet op tijd wordt betaald;

5.4.

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door H. Semerci, griffier, en in het openbaar uitgesproken.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het procesverloop
  2. 2 De feiten
  3. 3 De vordering en de standpunten van partijen
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202505134

Vonnis van 29 juni 2026

in de zaak van

MANGUSA SUPERMARKET B.V., gevestigd in Curaçao, eiseres, gemachtigde: mr. H.W. Braam,

tegen

DE FAIR TRADE AUTHORITY CURACAO (FTAC),

gevestigd in Curaçao, gedaagde, gemachtigde: mr. P.H. de Lange,

Partijen worden hierna Mangusa en FTAC genoemd.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

  • het verzetschrift van 17 december 2025,
  • de conclusie van antwoord,
  • de mondelinge behandeling van 11 mei 2026,
  • de pleitnotities.
1.2.

Vonnis is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

Bij beschikking van 13 december 2024 heeft FTAC een bestuurlijke boete van Cg 450.000 opgelegd aan Mangusa. Bij beschikking van 29 mei 2025 heeft FTAC het daartegen door Mangusa gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Deze beschikking is op 13 juni 2025 gepubliceerd in de Landscourant.

2.2.

Op 17 september 2025 heeft FTAC Mangusa een brief “invordering boete wegens overtreding van de medewerkingsplicht door Mangusa Supermarket B.V.” gestuurd, waarin kort gezegd staat dat Mangusa op grond van artikel 7.14 van de Landsverordening inzake concurrentie een bedrag van Cg 450.000 diende te betalen binnen 13 weken nadat de beschikking bekend is gemaakt, dat deze termijn op 12 september 2025 is verstreken en dat Mangusa door deze aanmaning wordt gewezen op de betalingsverplichting, en in de gelegenheid wordt gesteld om binnen 14 dagen alsnog te betalen.

2.3.

Bij deurwaardersexploot van 10 december 2025 heeft FTAC aan Mangusa een dwangbevel doen betekenen. Daartegen richt zich het in deze procedure voorliggende verzet.

2.4.

Op 2 februari 2026 heeft het gerecht het door Mangusa tegen de beschikking van 29 mei 2025 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft Mangusa hoger beroep ingesteld.

3 De vordering en de standpunten van partijen

3.1.

Mangusa vordert – samengevat – dat het gerecht het door FTAC aan Mangusa betekende dwangbevel opschort, dan wel schorst, totdat de rechter in de beroepsprocedure over het beroep van Mangusa zal hebben beslist.

3.2.

Mangusa legt aan het verzet het volgende ten grondslag.

3.3.

FTAC heeft gemotiveerd verweer gevoerd, strekkende tot afwijzing van de vorderingen.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van artikel 7.14 lid 1 van de Landsverordening inzake concurrentie (Lvic) wordt een bestuurlijke boete betaald binnen dertien weken nadat de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd, bekend is gemaakt.

Op grond van artikel 7.15 lid 1 kan de FTAC, bij gebreke van betaling binnen de termijn van twee weken, bedoeld in artikel 7.14, derde lid, van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de bestuurlijke boete is verschuldigd, de verschuldigde bestuurlijke boete, verhoogd met de krachtens artikel 7.14, tweede lid, verschuldigde rente en de op de aanmaning en invordering betrekking hebbende kosten, invorderen bij dwangbevel.

Op grond van lid 3 wordt het dwangbevel op kosten van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de bestuurlijke boete is verschuldigd, bij deurwaardersexploot betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Op grond van artikel 7.16 lid 1 vermeldt het dwangbevel in ieder geval:

a. aan het hoofd het woord: dwangbevel;

b. het bedrag van de invorderbare hoofdsom;

c. de beschikking of het wettelijk voorschrift waaruit de geldschuld voortvloeit;

d. de kosten van het dwangbevel; en

e. dat het op kosten van de schuldenaar ten uitvoer kan worden gelegd.

Op grond van artikel 7.17 lid 1 staat gedurende zes weken na de dag van betekening verzet tegen het dwangbevel open bij het Gerecht in Eerste Aanleg door dagvaarding van de FTAC.

Op grond van lid 2 schorst het verzet de tenuitvoerlegging.

Op grond van lid 3 kan de rechter op verzoek van de FTAC de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.

4.2.

Het gerecht begrijpt de gronden van Mangusa’s verzet, mede gelet op haar toelichting ter zitting, aldus dat zij op twee pijlers rusten. In de eerste plaats stelt Mangusa dat uit de samenhang tussen de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar), het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en de Lvic volgt dat een bestuurlijke boete pas ten uitvoer mag worden gelegd, nadat deze in rechte onaantastbaar is. Daarom moet de tenuitvoerlegging volgens Mangusa worden geschorst totdat op het hoger beroep (zie 2.4.) is beslist.

4.3.

Het gerecht overweegt als volgt. Beschikkingen zijn in beginsel uitvoerbaar, ook wanneer daartegen een rechtsmiddel is ingesteld (zie de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van 14 mei 2009, ECLI:NL:OGHNAA:2009:BI5355). Het instellen van een rechtsmiddel heeft dus geen schorsende werking. De bestuurlijke boete kan daarom worden ingevorderd zolang de boetebeschikking niet door de rechter is vernietigd of door het bestuursorgaan is ingetrokken. De beschikking van 29 mei 2025 is een beschikking in de zin van de Lar en is niet geschorst, vernietigd of ingetrokken. De bij die beschikking in bezwaar gehandhaafde bestuurlijke boete is dan ook invorderbaar. Anders dan Mangusa betoogt, volgt uit het feit dat de Lar en de Lvic voor de tenuitvoerlegging aansluiting zoeken bij Rv niet dat artikel 7.17 lid 2 Lvic zo moet worden gelezen dat het verzet de tenuitvoerlegging schorst totdat in (hoger) beroep over de boetebeschikking is beslist. Die uitleg past niet bij de hiervoor vermelde uitgangspunten van het bestuursrecht. Bovendien zou zij het oordeel van het gerecht in de verzetprocedure betekenisloos maken, omdat het enkele instellen van verzet dan al tot schorsing van de tenuitvoerlegging zou leiden totdat de boetebeschikking in rechte onaantastbaar is geworden. Het betoog van Mangusa faalt in zoverre.

4.4.

In de tweede plaats voert Mangusa aan dat FTAC, zolang de hogerberoepsprocedure loopt, geen belang heeft bij dwanginvordering, terwijl Mangusa vanwege de hoogte van de boete wel belang heeft bij schorsing van de tenuitvoerlegging.

4.5.

Ook dit betoog geeft het gerecht geen aanleiding om het dwangbevel te schorsen. Het gerecht sluit hiertoe aan bij vaste rechtspraak dat schorsing van de tenuitvoerlegging slechts aan de orde is wanneer de executant, mede gelet op het belang van de overtreder, geen redelijk te respecteren belang heeft bij tenuitvoerlegging. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen als het dwangbevel klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag, of als uit nadien gebleken feiten blijkt dat onmiddellijke tenuitvoerlegging voor de overtreder een noodtoestand zal veroorzaken en daarom, mede gelet op artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek (BW), onaanvaardbaar is. Mangusa heeft niet gesteld dat een van deze schorsingsgronden zich voordoet. Ook heeft zij onvoldoende toegelicht waarom haar belang bij schorsing zwaarder zou moeten wegen dan het belang van FTAC bij invordering.

4.6.

De slotsom is dat de vordering moet worden afgewezen.

4.7.

Omdat Mangusa in het ongelijk wordt gesteld, wordt zij veroordeeld in de proceskosten. De kosten van FTAC worden tot aan deze uitspraak begroot op Cg 2.500 (2 punten in tarief 5) aan gemachtigdensalaris. De gevorderde wettelijke rente en de nakosten worden toegewezen op de wijze zoals hierna onder de beslissing is vermeld.

4.8.

De veroordelingen in dit vonnis worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat zij direct ten uitvoer kunnen worden gelegd, ook als een van de partijen hoger beroep instelt.

5 De beslissing

Het gerecht:

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt Mangusa in de proceskosten van FTAC van Cg 2.500, te vermeerderen met Cg 250 aan nakosten zonder betekening, verhoogd met Cg 150 in geval van betekening;

5.3.

bepaalt dat de proceskosten moeten worden betaald binnen veertien dagen en dat die kosten worden verhoogd met de wettelijke rente als niet op tijd wordt betaald;

5.4.

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door H. Semerci, griffier, en in het openbaar uitgesproken.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.