Uitspraak · Civiel recht
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 22 juni 2026
ECLI:NL:OGEAC:2026:130Zaaknummer CUR202601370
- Instantie
- Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
- Datum uitspraak
- 22 juni 2026
- Publicatiedatum
- 3 augustus 2026
- Zaaknummer
- CUR202601370
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Kort geding. Dwangsom verbonden aan nakoming ambtenarenuitspraak door het Land.
5 De beslissing in kort geding
Het gerecht:
bepaalt dat het Land, indien het Land niet binnen vier weken na betekening van dit vonnis een beslissing neemt op het verzoek van [eiser] om met ingang van 1 juli 2005 bevorderd te worden naar bezoldigingsschaal 8, trede 1, een dwangsom verbeurt van Cg 250 voor iedere dag dat die beslissing uitblijft, met een maximum van Cg 20.000;
veroordeelt het Land in de proceskosten van [eiser] van Cg 782,50;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door mr. H. Semerci, griffier, en in het openbaar uitgesproken.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202601370
Vonnis in kort geding van 22 juni 2026
in de zaak van
[eiser], wonend in [woonplaats], eiser, gevolmachtigde: [gevolmachtigde],
tegen
de openbare rechtspersoon HET LAND CURAÇAO,
gevestigd in Curaçao, gedaagde, gemachtigde: mr. H.W. Braam,
Partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘het Land’ genoemd.
1 Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
- het verzoekschrift van 23 april 2026;
- de correctie van 26 april 2026 op het verzoekschrift;
- de mondelinge behandeling van 8 juni 2026.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2 De feiten
eiser] is in 2005 als ambtenaar gaan werken bij het Ministerie van Gezondheid, Milieu en Natuur (GMN).
Bij brief van 21 juni 2018 heeft de vakbond ABVO namens [eiser] bij de minister van GMN een verzoek ingediend.
Bij brief van 16 september 2019 heeft de minister van GMN op dit verzoek gereageerd.
Bij uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van 5 maart 2025 met zaaknummer GAZ CUR202303856 heeft het gerecht het bezwaar van [eiser] tegen het besluit vervat in de brief van de minister van GMN van 16 september 2019 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de regering opgedragen binnen drie maanden na 5 maart 2025 een beslissing te nemen op het verzoek van [eiser] om met ingang van 1 juli 2005 bevorderd te worden naar bezoldigingsschaal 8, trede 1.
Aan deze uitspraak is geen gevolg gegeven.
3 De vordering en het verweer.
eiser] vordert dat het gerecht het Land beveelt binnen twee weken na betekening van dit vonnis te voldoen aan de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van 5 maart 2025 met zaaknummer GAZ CUR20302856, op straffe van verbeurte van een dwangsom van Cg 250 per dag dat het Land in gebreke blijft, alsmede iedere andere maatregel treft die het gerecht geraden acht, en met veroordeling van het Land in de proceskosten.
Het Land heeft te kennen gegeven dat een beslissing op korte termijn zal volgen en heeft verzocht om aan de gevorderde dwangsom een maximum te verbinden.
4 De beoordeling
Het spoedeisend belang van [eiser] volgt uit de aard van de vordering.
Het gerecht begrijpt de vordering van [eiser] zo, dat hij een dwangsom wenst te verbinden aan (het bevel in) de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van 5 maart 2025. Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van 1 maart 2016 (AR 73963/2015 – H 318/15, ECLI:NL:OGHACMB:2016:8) kan de burgerlijke rechter dat doen.
Het gerecht overweegt dat [eiser] een voldoende belang heeft bij zijn vordering tot het opleggen van een dwangsom, om te bewerkstelligen dat binnen een bepaalde termijn op zijn verzoek wordt beslist. Het gerecht ziet aanleiding de gevorderde dwangsom toe te wijzen, zoals hierna in de beslissing zal worden vermeld.
Omdat het Land in het ongelijk wordt gesteld, wordt het Land veroordeeld in de proceskosten. De kosten van [eiser] worden tot aan deze uitspraak begroot op Cg 450 aan griffierecht en Cg 332,50 aan oproepingskosten.
5 De beslissing in kort geding
Het gerecht:
bepaalt dat het Land, indien het Land niet binnen vier weken na betekening van dit vonnis een beslissing neemt op het verzoek van [eiser] om met ingang van 1 juli 2005 bevorderd te worden naar bezoldigingsschaal 8, trede 1, een dwangsom verbeurt van Cg 250 voor iedere dag dat die beslissing uitblijft, met een maximum van Cg 20.000;
veroordeelt het Land in de proceskosten van [eiser] van Cg 782,50;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door mr. H. Semerci, griffier, en in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.