Uitspraak · Civiel recht
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 22 juni 2026
ECLI:NL:OGEAC:2026:128Zaaknummer CUR202601427
- Instantie
- Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
- Datum uitspraak
- 22 juni 2026
- Publicatiedatum
- 31 juli 2026
- Zaaknummer
- CUR202601427
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Kort geding. Niet-ontvankelijk terzake feitelijke handeling. Rechtsmiddelen bij de ambtenarenrechter openstaan.
5 De beslissing in kort geding
Het gerecht:
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van het Land begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door mr. H. Semerci, griffier, en in het openbaar uitgesproken.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202601427
Vonnis in kort geding van 22 juni 2026
in de zaak van
[eiser], wonende in [woonplaats],eiser,gemachtigde: mr. N.B. Louisa,
tegen
de openbare rechtspersoon HET LAND CURAÇAO,
zetelend in Curaçao,gedaagde,gemachtigde: mr. E. van den Berg,
Partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘het Land’ genoemd.
1 Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
- het verzoekschrift van 28 april 2026,
- de mondelinge behandeling van 8 juni 2026,
Vonnis is bepaald op vandaag.
2 De feiten
eiser] is als ambtenaar aangesteld en benoemd in de functie van districtsbeheer bij de Uitvoeringsorganisatie Openbare Werken van het ministerie van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning.
Bij landsbesluit van 18 april 2024 is [eiser] voor die maanden geschorst. Bij opvolgende schorsingsbesluiten is deze schorsing steeds met drie maanden verlengd. [eiser] heeft bij het gerecht in ambtenarenzaken bezwaar gemaakt.
Bij uitspraak van 9 december 2024, zaaknummer GAZ CUR202404178, heeft het gerecht in ambtenarenzaken het bezwaar van [eiser] gegrond verklaard en het schorsingsbesluit vernietigd. Het gerecht in ambtenarenzaken heeft in deze uitspraak ook overwogen:
“Met deze vernietiging bestaat geen titel meer op grond waarvan de Regering nog langer kan beletten dat klager zijn werkzaamheden hervat. Indien de Regering ondanks deze vernietiging klager geen toegang tot zijn werkplek geeft, staat het klager vrij om tegen die feitelijke handeling op te komen bij het Gerecht.”
Op 6 februari 2026 heeft [eiser] de regering schriftelijk verzocht wanneer hij zijn werkzaamheden kan hervatten. Hierop is geen reactie gekomen. Vervolgens heeft [eiser] zich op 16 en 17 maart 2026 op zijn werkplek gemeld zonder dat hij weder te werk werd gesteld.
3 De vordering en het verweer
eiser] vordert dat het gerecht het Land beveelt binnen vier weken na betekening van dit vonnis te voldoen aan de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van 9 december 2024 met zaaknummer CUR202404178, op straffe van verbeurte van een dwangsom van Cg 500 per dag dat het Land in gebreke blijft, met een maximum van Cg 50.000, en met veroordeling van het Land in de proceskosten.
Het Land heeft bevestigd dat [eiser] niet tot het werk is toegelaten en heeft te kennen gegeven momenteel bezig te zijn met de voorbereiding van een concept-ontslagbesluit. Daarnaast heeft het Land aangevoerd dat de onderhavige procedure niet thuishoort bij de civiele rechter maar bij de ambtenarenrechter.
4 De beoordeling
Het meest verstrekkende verweer van het Land dat [eiser]
niet-ontvankelijk is in zijn vordering, omdat hiervoor een bijzondere rechtsgang bij een andere rechter openstaat of heeft opengestaan, slaagt. Daartoe overweegt het gerecht als volgt.
Volgens vaste rechtspraak is voor de burgerlijke rechter, ook recht doende in kort geding, in beginsel geen taak weggelegd in geschillen, waarvoor de wet een andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengesteld. Dat brengt met zich dat de burgerlijke rechter de eiser niet-ontvankelijk moet verklaren in zijn vordering, indien een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij een andere rechter openstaat of heeft opengestaan, waarin over die vordering en de daaraan ten grondslag liggende verwijten kan of kon worden beslist.
De vordering van [eiser] strekt er in wezen toe dat de Regering hem weer toegang geeft tot zijn werkplek en hem niet langer belet zijn werkzaamheden te hervatten, zo is van de zijde van [eiser] ter zitting ook bevestigd. Tegen die feitelijke handeling kan [eiser] opkomen bij het gerecht in ambtenarenzaken. Voor een beslissing van de burgerlijke rechter over deze vordering is daarom geen plaats.
Omdat [eiser] in het ongelijk wordt gesteld, zal hij worden veroordeeld in de proceskosten van het Land, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.
5 De beslissing in kort geding
Het gerecht:
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van het Land begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door mr. H. Semerci, griffier, en in het openbaar uitgesproken.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.