Uitspraak · Belastingrecht

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 5 april 2017

ECLI:NL:OGEAC:2017:40Zaaknummer BBZ nr. CUR201600160

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
5 april 2017
Publicatiedatum
12 april 2017
Zaaknummer
BBZ nr. CUR201600160
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Op grond van artikel 31, lid 1, van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen is geregeld dat degene die bezwaar heeft tegen een door de Inspecteur gedane uitspraak binnen twee (2) maanden na de dagtekening van het afschrift van de uitspraak in beroep kan komen. In het geval dat met vertraging kennis wordt genomen van de uitspraak op bezwaar, geldt dat het beroep, zo spoedig mogelijk, binnen één (1) maand moet worden ingesteld. Geen sprake van verschoonbare termijnoverschrijding.

3 BESLISSING

De rechter in dit Gerecht:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Jansen, rechter in dit Gerecht en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 april 2017, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17a, eerste lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken). Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17b, tweede lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 PROCESVERLOOP
  2. 2 ONTVANKELIJKHEID BEROEP
  3. 3 BESLISSING

Uitspraak van 5 april 2017

BBZ nr. CUR201600160

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[ X ], wonende te Curaçao,

belanghebbende

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is met dagtekening 3 juli 2015 voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van Naf. 33.946. Tegelijkertijd is een boetebeschikking van Naf. 250 opgelegd.

1.2

Belanghebbende is op 21 september 2015 tegen de aanslagen in bezwaar gekomen. Bij uitspraken op bezwaar van 15 januari 2016 heeft de Inspecteur de bezwaren afgewezen.

1.3

Belanghebbende is op 24 maart 2016 tegen de uitspraken op bezwaar in beroep gekomen. Hierbij is griffierecht betaald van Afl. 50.

1.4

De zaak is behandeld ter zitting van 21 februari 2017, waarbij zijn verschenen belanghebbende in persoon samen met haar zus [ A ]. Namens de Inspecteur is verschenen [ mr. B ].

2 ONTVANKELIJKHEID BEROEP

2.1

In artikel 31, lid 1, van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen is geregeld dat degene die bezwaar heeft tegen een door de Inspecteur gedane uitspraak binnen twee maanden na de dagtekening van het afschrift van de uitspraak in beroep kan komen. Het Gerecht gaat ervan uit dat de verzending van de uitspraak op bezwaar door de Belastingdienst tijdig is gebeurd, nu het tegendeel niet is gesteld en daarvan ook niet is gebleken. Gelet op de dagtekening van de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur (15 januari 2016) en de datum van binnenkomst van het beroepschrift (24 maart 2016), is het Gerecht van oordeel dat het beroep niet tijdig is ingediend. De niet-ontvankelijkheid van het beroep blijft achterwege indien de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Als reden voor de niet tijdige indiening heeft belanghebbende aangevoerd dat zij de uitspraak op bezwaar pas op 25 januari 2016 heeft ontvangen en dat zij bovendien ziek was. Het Gerecht overweegt dat in het geval dat met vertraging kennis wordt genomen van de uitspraak op bezwaar, geldt dat het beroep zo spoedig mogelijk, binnen een maand moet worden ingesteld (zie uitspraak Raad van beroep voor belastingzaken van 23 juli 2012: ECLI:NL:ORBBNAA:2012:BX4934). Gelet op het voorgaande kan de stelling van belanghebbende dat zij de uitspraak op bezwaar pas op 25 januari 2016 heeft ontvangen haar niet baten nu de wettelijke beroepstermijn op 15 maart 2016, derhalve na afloop van voormelde eenmaandstermijn eindigt. Belanghebbende heeft met de blote stelling dat zij ziek was niet aannemelijk gemaakt dat zij redelijkerwijs niet in staat was om de termijn van een maand in acht te nemen. Van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding is naar het oordeel van het Gerecht daarom geen sprake. Belanghebbende is niet-ontvankelijk in haar beroep.

2.2

Het vorenstaande leidt ertoe dat als volgt moet worden beslist.

3 BESLISSING

De rechter in dit Gerecht:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Jansen, rechter in dit Gerecht en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 april 2017, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17a, eerste lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken). Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17b, tweede lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.