Uitspraak · Personen- en familierecht
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 4 juni 2026
ECLI:NL:OGEABES:2026:94Zaaknummer BON202600097 en BON202600098
- Instantie
- Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Datum uitspraak
- 4 juni 2026
- Publicatiedatum
- 2 juli 2026
- Zaaknummer
- BON202600097 en BON202600098
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Afwijzing van een ondertoezichtstelling en opheffing van de voorlopige ondertoezichtstelling. Geen directe zorgen over de ontwikkeling van de minderjarigen. Dat die zorgen er bij andere minderjarigen binnen het gezin wel zijn, rechtvaardigt geen ondertoezichtstelling.
3 De beslissing
Het gerecht:
wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling af;
heft de voorlopige ondertoezichtstelling op;
verstaat dat de griffier aantekening maakt in het gezagsregister van de beslissing in overweging 3.2;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en is op 4 juni 2026 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
registratienummers: BON202600097, BON202600098
datum beslissing: 4 juni 2026
Op het verzoek van
VOOGDIJRAAD CARIBISCH NEDERLAND
gevestigd te Bonaire,
hierna: de Voogdijraad,
met betrekking tot de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats], hierna: [minderjarige 1],
en
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats], hierna: [minderjarige 2].
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de moeder],
wonende te Bonaire,
hierna: de moeder,
gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas,
en
[de vader],
wonende te Bonaire,
hierna: de vader.
1 Het procesverloop
Bij beschikking van 5 maart 2026 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld.
Op 27 mei 2026 heeft het gerecht een verzoekschrift met bijlagen ontvangen van de Voogdijraad, strekkende tot de definitieve ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026. Daarbij zijn de moeder, haar gemachtigde en de vader aanwezig geweest. Namens de Voogdijraad is de heer [medewerker voogdijraad] aanwezig geweest en namens Zorg en Jeugd Caribisch Nederland (hierna: ZJCN) is mevrouw [medewerker ZJCN] aanwezig geweest.
Ten slotte is de uitspraak bepaald op vandaag.
2 Het verzoek en de beoordeling
minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder. De moeder heeft eenhoofdig gezag over hen. Op 5 maart 2026 is een verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling toegewezen voor de duur van drie maanden in verband met de ernstige zorgen betreffende de lichamelijke, cognitieve en emotionele ontwikkelingen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
De Voogdijraad heeft een kinderbeschermingsonderzoek gedaan naar de vraag of een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is. Op 27 mei 2026 heeft de Voogdijraad een rapport uitgebracht.
De Voogdijraad verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van één jaar met een aanhoudingstermijn van zes maanden. De Voogdijraad stelt dat er weliswaar geen ernstige zorgen zijn met betrekking tot de lichamelijke, cognitieve en emotionele ontwikkelingen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] maar dat een ondertoezichtstelling toch noodzakelijk is aangezien zij onderdeel zijn van een systeem – een gezin met nog 2 andere kinderen ten aanzien waarvan wél ernstige zorgen zijn – waarbinnen een langdurig patroon aan onveiligheid speelt. Daardoor kunnen zij vanuit het systematische denken niet worden weggelaten uit de aanpak.
Op grond van artikel 1:254 juncto 1:258, eerste lid BW BES kan de rechter in eerste aanleg een kind voor een termijn van ten hoogste één jaar onder toezicht stellen als het zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.
Het gerecht overweegt als volgt. Uit het onderzoek door de Voogdijraad en de bevindingen van ZJCN gedurende de voorlopige ondertoezichtstelling is niet gebleken van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Zowel de Voogdijraad als ZJCN stellen vast dat zij zich normaal ontwikkelen en dat er geen directe zorgen zijn over hoe zij zich ontwikkelen. Het gerecht onderkent dat er in de gezinssituatie risico’s gelegen zijn. Er zijn namelijk wel zorgen over de ontwikkeling van de twee andere kinderen – een oudere halfzus en halfbroer – in het gezin. Bovendien is de vader veroordeeld wegens seksueel misbruik van de halfzus en kan zijn aanstaande vrijlating tot spanningen leiden. Maar nog daargelaten of dit een ondertoezichtstelling rechtvaardigt, geldt dat de moeder deze risico’s voldoende onder ogen lijkt te zien en bereid is daarvoor de nodige hulp te zoeken en te aanvaarden. Al met al ziet het gerecht daarom onvoldoende wettelijke grondslagen om de ondertoezichtstelling uit te spreken. Het verzoek daartoe zal dan ook worden afgewezen.
Het voorgaande betekent dat de eerder uitgesproken voorlopige ondertoezichtstelling zal worden opgeheven.
3 De beslissing
Het gerecht:
wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling af;
heft de voorlopige ondertoezichtstelling op;
verstaat dat de griffier aantekening maakt in het gezagsregister van de beslissing in overweging 3.2;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en is op 4 juni 2026 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.