Uitspraak · Civiel recht
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 19 augustus 2026
ECLI:NL:OGEABES:2026:202Zaaknummer BON202000538
- Instantie
- Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Datum uitspraak
- 19 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 24 augustus 2026
- Zaaknummer
- BON202000538
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Renvooiprocedure in reconventie. Vorderingen ex-werknemer tegen inmiddels failliete werkgever. Gestelde ‘bruto=netto” afspraak was al in conventie, ook in hoger beroep, verworpen. Vordering achterstallig salaris daarom afgewezen. Wel toewijzing aantal andere achterstallige bedragen.
5 De beslissing
Het Gerecht,
veroordeelt de curator tot betaling aan [gedaagde] van USD 7.472,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over USD 5.988,00 vanaf 27 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling daarvan;
veroordeelt de curator tot betaling aan Guardian Group van USD 19.157,00 ten behoeve van (het pensioen van) [gedaagde];
verklaart dit vonnis tot zover uitvoer bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
Registratienummer: BON202000538
Datum uitspraak: 19 augustus 2026
VONNIS
in de zaak van
mr. Constantijn Michiel VAN LIERE in zijn hoedanigheid van curator van de naamloze vennootschap BONAIRE PETROLEUM CORPORATION N.V.
kantoorhoudende te Bonaire,
eiser in conventie, verweerder in reconventie
gemachtigden: mrs L.F.F.M Drissen en H.N. Kirpalani
tegen
[gedaagde in conventie, eiser in reconventie],
wonend te Bonaire,
gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
gemachtigden: mrs D.M. Wildeman en D.E. van Voorst.
Partijen zullen hierna ook de curator (respectievelijk Bopec) en [gedaagde] genoemd worden.
1 De procedure
Het procesverloop in deze zaak is als volgt geweest:
Het kort geding
Bopec heeft op 3 november 2020 een verzoekschrift in kort geding ingediend dat is geregistreerd onder nummer BON202000508. [gedaagde] heeft op 10 november 2020 een reconventionele vordering ingediend. Op 10 november 2020 heeft de mondelinge behandeling in kort geding plaatsgevonden.
Op 18 november 2020 is vonnis gewezen in kort geding. Bij dit vonnis zijn de vorderingen in conventie en in reconventie verwezen naar de bodemprocedure.
De bodemprocedure
De bodemprocedure is geregistreerd onder opgemeld registratienummer. In de bodemprocedure zijn vervolgens de volgende processtukken ingediend:
- de conclusie van antwoord in conventie
- de conclusie van antwoord in reconventie
Het faillissement van Bopec en de gevolgen daarvan voor de procedure
Bopec is op 18 maart 2021 failliet gegaan. De curator heeft de procedure in conventie overgenomen als bedoeld in artikel 23 Faillissementswet BES (hierna Fw). De procedure in reconventie is op grond van artikel 25 Fw geschorst.
In conventie is vervolgens verder geprocedeerd en is op 24 april 2024 vonnis gewezen.
De vordering in reconventie is ingediend ter verificatie in het faillissement van Bopec en is door de curator betwist. Op grond van artikel 25 Fw werd de zaak in reconventie daardoor voorgezet tegen de curator in de stand waarin zich deze bevond. De zaak stond toen dus voor conclusie van repliek in reconventie.
De verdere gang van zaken in reconventie
Op 2 oktober 2024 is op de rolzitting besproken dat tegen het vonnis in conventie hoger beroep was ingesteld en is de mogelijkheid besproken de zaak in reconventie naar de parkeerrol te verwijzen in afwachting van de uitspraak in hoger beroep.
Bij aktes van 30 oktober 2024 hebben beide partijen de wens uitgesproken de behandeling in reconventie aan te houden totdat in hoger beroep in conventie zou zijn beslist.
Bij akte van 28 mei 2025 heeft [gedaagde] verzocht de zaak van de parkeerrol te halen en een comparitie van partijen te bepalen. De curator heeft zich tegen dit verzoek verzet.
Bij (rol)beslissing van 25 juni 2025 is de zaak verwezen naar de rol voor conclusie van repliek in reconventie.
Op 27 augustus 2025 heeft [gedaagde] een conclusie van repliek in reconventie, tevens houdende eiswijziging, ingediend.
Op 29 oktober 2025 heeft de curator een conclusie van dupliek in conventie tevens antwoordakte eiswijziging ingediend.
Vervolgens is vonnis bepaald. Op de rolzitting van 17 december 2025 heeft [gedaagde] verzocht de zaak opnieuw naar de parkeerrol te verwijzen. Bij rolbeslissing van diezelfde datum (abusievelijk gedateerd op 25 juni 2025) is de zaak verwezen naar de parkeerrol van 24 juni 2026.
Op 21 april 2026 heeft het Hof in hoger beroep vonnis gewezen in conventie. [gedaagde] heeft vervolgens verzocht de zaak van de parkeerrol af te halen en vonnis in reconventie te wijzen.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.
2 De feiten
gedaagde] is als general manager werkzaam geweest voor Bopec. De desbetreffende voorwaarden zijn vastgelegd in een op schrift gestelde arbeidsovereenkomst van 5 augustus 2016. Art. 3.1 van die arbeidsovereenkomst luidt als volgt:
"Salary. BOPEC will pay the Employee a gross basic salary of 14,750 USD per month. BOPEC will deduct from the gross salary the taxes (actually is 30.4%) and any other applicable deductions. BOPEC will strive to obtain the best fiscal position for the Employee. The Employee will not be entitled to overtime compensation."
Op 23 februari 2016 heeft Bopec een verzoek tot toepassing van de Regeling ex-patriates 1998 BES (hierna: de Expatregeling) ingediend. Bij beschikking van 17 maart 2016 heeft de Inspecteur aan [gedaagde] met ingang van 24 november 2015 voor de duur van vijf jaren de status van ex-patriate toegekend als bedoeld in die regeling.
Gedurende de looptijd van de arbeidsovereenkomst heeft Bopec [gedaagde] het onder 2.1. genoemde bedrag aan salaris van USD 14.750,— gebruteerd en hem (inclusief emolumenten) per maand USD 23.232,74 bruto salaris betaald.
Bij beschikking van het Gerecht van 1 september 2020, BON202000320, is, voor zover hier van belang, in een ontbindingsprocedure de arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde] en Bopec met ingang van 1 oktober 2020 ontbonden, onder toekenning van een vergoeding aan [gedaagde] van USD 163.000,-- bruto ten laste van Bopec, verminderd met een eventuele cessantia-uitkering.
Op 15 september 2020 heeft Bopec een eindafrekening aan [gedaagde] verstuurd. Daarin is ook de beeindigingsvergoeding van USD 163.000,- minus cessantia opgenomen. Op 1 oktober 2020 heeft Bopec conform die eindafrekening, na (fiscale) inhoudingen, een bedrag van USD 125.247,23 netto aan [gedaagde] uitgekeerd. Op 6 oktober 2020 heeft Bopec in aanvulling hierop nog een bedrag van USD 12.852,44 aan cessantia aan [gedaagde] uitgekeerd.
In de procedure in conventie is [gedaagde] veroordeeld om aan de curator een bedrag van USD 301.878,00 te betalen. Het Gerecht heeft daartoe – kort gezegd – overwogen dat tussen Bopec en [gedaagde] geen nettoloon-afspraak was gemaakt en dat genoemd bedrag daarom onverschuldigd aan [gedaagde] was betaald. In hoger beroep heeft het Hof dit vonnis – voor zover hier van belang – bevestigd.
3 De vordering en het verweer
In reconventie vordert [gedaagde], na wijziging van eis:
- betaling van een bedrag van USD 180.982,12 ter zake van achterstallig loon, AKI betaling, verhuiskosten, niet genoten vakantiedagen en onderhouds- en reparatiekosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 januari 2016;
- betaling van een bedrag van USD 19.157,00 aan Guardian Group ten behoeve van [gedaagde] ter zake van de achterstallige pensioenpremie in de periode 2016-2019;
- betaling van een bedrag van USD 1.484,00 ter zake van achterstallig spaargeld bij Banco di Caribe;
een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van USD 1.000,00 per dag en met veroordeling van de curator in de kosten van de procedure.
Kort gezegd voert [gedaagde] daartoe aan dat het bedrag van USD 180.982,12 voortvloeit uit een door Linkels Accounting opgestelde eindafrekening d.d. 22 september 2020. Verder heeft [gedaagde] geconstateerd dat Bopec nooit de volledige pensioenpremie heeft afgedragen aan Guardian Group terwijl de volledige premie wel is ingehouden op zijn loon. Ook heeft Bopec de spaarpot voor [gedaagde] bij de Banco di Caribe voor de maand september 2020 niet bijgestort.
De curator voert verweer.
Op de stellingen en verweren van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
4 De beoordeling
Het achterstallige loon
De vordering van [gedaagde] ter zake van achterstallig loon (een bedrag van USD 123.654,71) is gebaseerd op zijn stelling dat er tussen hem en Bopec een nettoloon-afspraak was gemaakt, erop neerkomend dat hij het hem toekomende brutoloon netto zou ontvangen en waarbij dus Bopec de verschuldigde loombelasting zou betalen of vergoeden.
De curator heeft het bestaan van de door [gedaagde] gestelde nettoloon-afspraak betwist.
Het Gerecht heeft in de procedure in conventie geoordeeld dat tussen partijen geen nettoloon-afspraak – als door [gedaagde] bedoeld – is gemaakt. Het Hof heeft dit oordeel bevestigd. De door [gedaagde] in reconventie naar voren gebrachte argumenten of ingediende stukken zijn allemaal al in conventie door het Gerecht en het Hof in hun oordeel betrokken. Het Gerecht ziet dan ook geen aanleiding om in reconventie anders te oordelen over het bestaan van de gestelde nettoloon-afspraak.
gedaagde] heeft bij conclusie van repliek in reconventie aangevoerd dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat – kort gezegd – de door Bopec gedane salarisbetalingen juist waren. Wat daar verder ook van moge zijn, het gestelde vertrouwen kan mogelijk dienen als verweer tegen de terugvordering van teveel ontvangen salaris (zoals in conventie werd gevorderd) maar is onvoldoende als grondslag voor een vordering van achterstallig salaris.
Deze vordering zal daarom worden afgewezen.
De AKI-betaling
gedaagde] stelt dat Bopec contractueel 3,5% van zijn salaris diende over te maken naar ‘Fundashon Asistensia Kwido Mediko Isla’ (“AKI”). Bopec zou dit bedrag voor het jaar 2020 niet aan AKI hebben overgemaakt. [gedaagde] kan dit bedrag – als contractspartij van Bopec – van Bopec vorderen.
De curator stelt dat Bopec deze AKI-premie rechtstreeks aan AKI betaalde en dat ook steeds heeft gedaan. AKI was echter in liquidatie en er is sinds 31 december 2019 voor geen enkele voormalige Isla-werknemer meer premie gestort, nu de relaties met alle Isla-werknemers (waaronder [gedaagde]) per die datum zijn geëindigd. Het enkele feit dat AKI niet meer bestaat, brengt niet mee dat de verplichting van Bopec tegenover AKI is omgezet in een vordering van [gedaagde] op de boedel.
Het Gerecht begrijpt dat [gedaagde] en de curator zich baseren op artikel 5.4. van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Dit artikel luidt:
After 21 years having contributed into his membership of AKI (medical care after retirement plan, stationed in Curacao), where the company’s contribution (Refineria Isla in that case) to the plan was 2% of the monthly salary as insurance premium and the Emplyee’s contribution to the plan was 1,5% of the monthly salary as insurance premium, the Employee should remain a member of AKI. At all times while the Employee works for BOPEC and does not have a “permission for leave of absence without pay or is not employed at Refineria Isla, the monthly contribution (currently 2% + 1.5%) to AKI will be for the account of BOPEC.
Uit de tekst van deze bepaling volgt dat Bopec zowel het werkgeversdeel als het werknemersdeel van de verzekeringspremie bij AKI – waarbij [gedaagde] reeds lang verzekerd was – voor haar rekening zou nemen. [gedaagde] heeft niet betwist dat AKI in liquidatie was en dat zijn relatie met AKI per 31 december 2019 is geëindigd. Er was – zo begrijpt het Gerecht – vanaf dat moment geen premieverplichting bij AKI meer. Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – valt niet in te zien op grond waarvan Bopec vanaf dat moment gehouden zou zijn het bedrag van die premie aan [gedaagde] te betalen. [gedaagde] is bij conclusie van repliek in reconventie ook in het geheel niet meer op het verweer van Bopec op dit punt ingegaan.
Deze vordering zal daarom worden afgewezen.
De verhuiskosten
Bopec heeft zich bereid verklaard de door [gedaagde] gevorderde verhuiskosten van USD 931,43 te vergoeden, voor zover die verhuiskosten daadwerkelijk zijn/worden gemaakt en gedeclareerd. [gedaagde] heeft in deze procedure gesteld noch onderbouwd dat hij de verhuiskosten daadwerkelijk heeft gemaakt, zodat de vordering al om die reden wordt afgewezen. Daarbij komt dat de betreffende vordering ook niet bij de curator ter verificatie is ingediend.
Deze vordering zal daarom worden afgewezen.
Niet genoten vakantiedagen
gedaagde] heeft een bedrag gevorderd in verband met 43,75 niet genoten vakantiedagen. Bopec (en nadien de curator) hebben tegen deze vordering gemotiveerd verweer gevoerd, stellende dat deze vakantiedagen geacht moeten worden te zijn opgenomen in de periode januari 2020-oktober 2020. [gedaagde] is op dit verweer in zijn conclusie van repliek in reconventie in het geheel niet meer ingegaan. Gelet daarop moet worden geoordeeld dat hij zijn stelling dat hij nog recht heeft op vergoeding van niet genoten vakantiedagen onvoldoende heeft onderbouwd.
Deze vordering zal daarom worden afgewezen.
Onderhouds- en reparatiekosten
gedaagde] vordert een bedrag van USD 5.988,00 aan onderhouds- en reparatiekosten voor de woning waarin hij op grond van de arbeidsovereenkomst kosteloos mocht verblijven. Bopec (en nadien de curator) heeft tegen deze vordering verweer gevoerd en daarbij betoogd dat de door [gedaagde] gevorderde kosten niet op grond van de arbeidsovereenkomst door Bopec gedragen moesten worden.
Artikel 4.3. van de arbeidsovereenkomst luidt:
All costs of utility, public services and maintenance of the house and the garden are for the account of BOPEC.
Anders dan Bopec stelt, valt uit deze bepaling geen beperking af te leiden, in die zin dat reguliere onderhoudskosten en kleine reparaties voor rekening van [gedaagde] zouden komen. Dit betekent dat Bopec gehouden was de kosten voor een nieuwe boiler, de reparatie van de airco en de schoonmaakkosten aan [gedaagde] te vergoeden.
Deze vordering zal daarom worden toegewezen.
Pensioenpremie aan Guardian Group
gedaagde] vordert dat de curator een bedrag van USD 19.157,00 betaalt aan Guardian Group ten behoeve van [gedaagde]. Hij voert daartoe aan dat Bopec wel bedragen op het salaris van [gedaagde] heeft ingehouden als (extra) pensioenbijdrage, maar deze bedragen nooit heeft afgedragen aan het pensioenfonds van Guardian Group.
De curator stelt dat deze vordering pas bij eisvermeerdering in de procedure is ingediend en dat dit in strijd is met de goede procesorde. Aan dit verweer wordt voorbijgegaan, nu [gedaagde] de betreffende vordering reeds op 3 juni 2021 ter verificatie bij de curator had ingediend.
De curator stelt verder dat de vordering is gebaseerd op de ‘bruto-is-netto’ afspraak en om die reden zou moeten worden afgewezen. Ook dit verweer wordt verworpen. Niet valt in te zien hoe de verplichting om ingehouden pensioenbijdragen af te dragen aan het pensioenfonds afhankelijk is van het wel of niet bestaan van de nettoloon-afspraak. Nu de curator niet betwist heeft dat de pensioenbijdragen wél zijn ingehouden op het loon van [gedaagde] maar níet aan het pensioenfonds zijn afgedragen, zal die afdracht alsnog moeten plaatsvinden.
Deze vordering zal daarom worden toegewezen.
Het spaarfonds bij Banco di Caribe
gedaagde] vordert een bedrag van USD 1.484,00 ter zake van achterstallig spaargeld bij Banco di Caribe. Hij stelt dat Bopec de spaarpot voor [gedaagde] bij deze bank voor de maand september 2020 niet heeft bijgestort. De toelichting op deze vordering is terug te vinden in productie 16 bij de conclusie van repliek in reconventie. Het gaat daarbij om de mail van 3 juni 2021 waarbij [gedaagde] zijn vorderingen ter verificatie bij de curator heeft ingediend.
De stelling van de curator dat [gedaagde] deze vordering niet eerder naar voren heeft gebracht, is gelet op het voorgaande niet juist. Verder had het, zeker gelet op de uitgebreide toelichting van [gedaagde] in voornoemde mail, op de weg gelegen van de curator om te stellen en te onderbouwen dat Bopec het bedrag voor de maand september 2020 wél heeft gestort. Dat heeft de curator nagelaten, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit bedrag inderdaad wél is ingehouden, maar niet is gestort. [gedaagde] heeft dus nog recht op dit bedrag. Nu kennelijk de spaarrekening ten behoeve van [gedaagde] bij Banco di Caribe is afgesloten, zal de curator dit bedrag rechtstreeks aan [gedaagde] moeten betalen.
Deze vordering zal daarom worden toegewezen.
De slotsom
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de curator (USD 5.988,00 + USD 1.484,00 =) USD 7.472,00 aan [gedaagde] moet betalen en dat hij USD 19.157,00 aan Guardian Group moet betalen ten behoeve van het pensioen van [gedaagde].
gedaagde] heeft over het bedrag van USD 5.988,00 (ter zake van de onderhouds- en reparatiekosten) de wettelijke rente gevorderd. Deze kan – als niet weersproken en op de wet gegrond – worden toegewezen. Onduidelijk is echter waar [gedaagde] de ingangsdatum van 1 januari 2016 op baseert. Nu hij de rente voor het eerst heeft gevorderd bij de akte eiswijziging, zal als ingangsdatum 27 augustus 2025 worden bepaald.
gedaagde] heeft een dwangsom gevorderd. Nu er echter uitsluitend een veroordeling tot betaling van een geldsom wordt gevorderd, is oplegging van een dwangsom niet mogelijk.
Partijen zijn in de procedure in reconventie ieder deels in het gelijk en deels in het ongelijk gesteld. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dat getalsmatig het grootste deel van de vordering (achterstallig loon) is afgewezen, maakt dit niet anders; het verweer tegen deze vordering vloeit immers voort uit de stellingen in conventie, waarin de curator al een proceskostenveroordeling heeft verkregen.
De beslissingen in dit vonnis worden, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Hiertegen heeft de curator ook geen afzonderlijk verweer gevoerd.
5 De beslissing
Het Gerecht,
veroordeelt de curator tot betaling aan [gedaagde] van USD 7.472,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over USD 5.988,00 vanaf 27 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling daarvan;
veroordeelt de curator tot betaling aan Guardian Group van USD 19.157,00 ten behoeve van (het pensioen van) [gedaagde];
verklaart dit vonnis tot zover uitvoer bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.