Uitspraak · Civiel recht

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 24 juni 2026

ECLI:NL:OGEABES:2026:152Zaaknummer BON202500292

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
BON202500292
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eindvonnis na gerechtelijke plaatsopneming. Tijdens de descente is duidelijk geworden dat de aannemer 44 van de 46 gefactureerde septic tanks heeft aangelegd. De opdrachtgever moet daarom voor 44 septic tanks betalen. Vorderingen grotendeels toegewezen.

3 De beslissing

Het Gerecht:

3.1.

veroordeelt DWG om aan [B.V.] te betalen:

- een bedrag van USD 18.072,00 (incl. ABB) in hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 13 juni 2025 tot de dag der algehele voldoening;

- een bedrag van USD 1.047,00 aan buitengerechtelijke incassokosten.

3.2.

veroordeelt DWG in de kosten van de procedure, aan de zijde van [B.V.] begroot op USD 1.695,00;

3.3.

veroordeelt DWG tot betaling van de nakosten van USD 140,00 verhoogd met USD 84,00 in geval van betekening, indien nakoming door DWG uitblijft binnen veertien dagen nadat haar schriftelijk is verzocht om aan het vonnis te voldoen;

3.4.

veroordeelt DWG tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De verdere beoordeling
  3. 3 De beslissing

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

registratienummer: BON202500292

datum beslissing: 24 juni 2026

in de zaak van

[B.V.],

gevestigd op Bonaire,

eisende partij,

hierna: [B.V.],

procederend in de persoon van haar directeur, de heer [directeur B.V.],

tegen

DE WIT GROUP BOUW B.V.,

gevestigd op Bonaire,

gedaagde partij,

hierna: DWG,

gemachtigde: mr. A. Schennink.

1 De procedure

1.1.

Verwezen wordt naar het tussenvonnis van 25 maart 2026 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Op 3 juni 2026 heeft de in het tussenvonnis bepaalde descente met aansluitend een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verwezen wordt naar het daarvan opgemaakte proces-verbaal.

1.3.

Vervolgens is bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.

1.4.

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft [B.V.] een e-mailbericht met bijlage aan het Gerecht gestuurd. Daartegen heeft DWG bezwaar gemaakt. Het e-mailbericht van 3 juni 2026 met bijlage zal bij de beoordeling van deze zaak buiten beschouwing worden gelaten, omdat op dat moment al vonnis is bepaald (zie daarover artikel 22 van het Procesreglement voor civiele zaken in eerste aanleg en in hoger beroep).

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij gelegenheid van de descente is vastgesteld dat [B.V.] 44 septic tanks heeft aangelegd in fase II van het project en dat al deze septic-tanks voor rekening van DWG komen. DWG heeft dit ook niet (langer) betwist. Ook is gebleken dat 2 van de 46 overeengekomen septic tanks nog niet aangelegd zijn.

2.2.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn partijen het er over eens geworden dat DWG voor 44 aangelegde septic tanks dient te betalen. In zoverre moet [B.V.] geacht worden haar vordering – die zag op 46 septic-tanks – te hebben verminderd.

2.3.

Het gerecht overweegt met inachtneming van het voorgaande als volgt. De oorspronkelijke aanneemsom voor 46 septic-tanks bedroeg USD 108.100,= (ex ABB). De prijs per septic-tank bedroeg daarmee USD 2.350,= (ex ABB). Voor de 44 aangelegde septic-tanks was DWG dus een bedrag van USD 103.400,= (ex ABB) verschuldigd; inclusief de ABB van 8% was dit een bedrag van USD 111.672,=. Tussen partijen is niet in geschil dat DWG in totaal een bedrag van USD 93.600,= (incl. ABB) aan [B.V.] heeft betaald. Er resteert daarmee een te betalen bedrag van USD 18.072,= (incl. ABB). Dit bedrag is DWG in hoofdsom aan [B.V.] verschuldigd.

2.4.

Omdat DWG niet tijdig heeft betaald, is zij wettelijke rente verschuldigd over dit bedrag. [B.V.] heeft niet concreet gesteld wat de ingangsdatum van de door haar gevorderde wettelijke rente zou moeten zijn. De vervaldata van de facturen kan daar niet voor worden aangehouden, omdat nadien door DWG enkele betalingen zijn verricht in het kader van een betalingsregeling. De wettelijke rente over de hoofdsom zal daarom worden toegewezen vanaf de datum van het indienen van het verzoekschrift.

2.5.

In het door [B.V.] in deze procedure gevorderde bedrag is ook een bedrag aan incassokosten, te weten USD 1.047,=, opgenomen (zie productie 7 bij het verzoekschrift). Voldoende gebleken is dat daadwerkelijk incassowerkzaamheden zijn verricht, zodat dit bedrag toewijsbaar is. Het Gerecht begrijpt dat [B.V.] ook wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten vordert. [B.V.] heeft echter niet gesteld op welke datum zij het bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten heeft betaald. Daarom wordt de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.

2.6.

DWG zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [B.V.] worden veroordeeld. Deze worden – aan de hand van het toegewezen bedrag – begroot op USD 419,= aan griffierecht, USD 159,= aan betekeningskosten, USD 1.117,= aan salaris gemachtigde en USD 140,= aan nakosten (bij betekening te verhogen met USD 84,=).

2.7.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals in de beslissing staat vermeld.

3 De beslissing

Het Gerecht:

3.1.

veroordeelt DWG om aan [B.V.] te betalen:

- een bedrag van USD 18.072,00 (incl. ABB) in hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 13 juni 2025 tot de dag der algehele voldoening;

- een bedrag van USD 1.047,00 aan buitengerechtelijke incassokosten.

3.2.

veroordeelt DWG in de kosten van de procedure, aan de zijde van [B.V.] begroot op USD 1.695,00;

3.3.

veroordeelt DWG tot betaling van de nakosten van USD 140,00 verhoogd met USD 84,00 in geval van betekening, indien nakoming door DWG uitblijft binnen veertien dagen nadat haar schriftelijk is verzocht om aan het vonnis te voldoen;

3.4.

veroordeelt DWG tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.