Uitspraak · Civiel recht
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 2 oktober 2024
ECLI:NL:OGEABES:2024:147Zaaknummer BON202300125
- Instantie
- Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Datum uitspraak
- 2 oktober 2024
- Publicatiedatum
- 13 maart 2025
- Zaaknummer
- BON202300125
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis. Afrekening samenlevingsrelatie. Niet dienen voor akte, gevolg daarvan. Rolverwijzing
3 De beslissing
Het gerecht,
verwijst de zaak naar de rol van 30 oktober 2024 voor een door [gedaagde] te nemen antwoordakte als bedoeld in artikel 2.3.,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
Registratienummer: BON202300125
Datum uitspraak: 2 oktober 2024
VONNIS
in de zaak van
[eiser],
wonende te Bonaire,
eiser,
gemachtigde: mr. L.F.F.M. Drissen,
tegen
[gedaagde],
wonende te Bonaire,
gedaagde,
thans procederend in persoon.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.
1 De procedure
Het procesverloop blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 mei 2024
- het bericht van desisteren van mr. Buwalda voor [gedaagde] van 20 juni 2024
- de akte van [eiser] van 28 augustus 2024
Vonnis is bepaald op heden.
2 De verdere beoordeling
In het tussenvonnis is overwogen dat de primaire en de subsidiaire vorderingen van [eiser] niet toewijsbaar zijn, waardoor thans alleen de meer subsidiaire vordering aan de orde is, inhoudende de betaling door [gedaagde] aan [eiser] van USD 161.487,45. In het tussenvonnis is overwogen dat daarvan in ieder geval een bedrag van USD 84.674,50 toewijsbaar is. Bij dat deel van de vordering gaat het om een terugbetaling van een aantal directe betalingen van [eiser] op de bankrekening en de creditcard van [gedaagde]. Met betrekking tot het andere deel van de vordering zijn partijen in het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld zich over een aantal onderliggende zaken uit te laten. Daarbij gaat het om een uitlaten door [eiser] over hoe hij bewijs wil leveren van de door hem betaalde kosten voor het zwembad van USD 18.993,00, waarbij in het bijzonder de vraag speelt of de bankopnames waarop hij in dit verband heeft gewezen ook daadwerkelijk voor (de bouw van) het zwembad zijn aangewend. Verder gaat het om een uitlaten door [eiser] over het door hem gestelde bedrag aan leefkosten van USD 115.984,48, meer specifiek over de vraag hoe de door hem overgelegde transactieoverzichten van zijn Vault card relateren aan het door hem opgestelde kostenoverzicht dat hij heeft ingebracht als productie 6 en het door hem bijgewerkte overzicht dat hij heeft ingebracht als productie 27, welke laatste niet goed leesbaar is en waarvan in hetzelfde vonnis is gevraagd om daarvan een nieuw afschrift in te brengen. [gedaagde] is op haar beurt in het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om nieuwe transactieoverzichten te verstrekken van de door haar betaalde leefkosten van USD 33.709,00 vanaf de datum dat partijen in de woning zijn gaan wonen. Daarbij is haar de instructie gegeven om de daarin vermelde kosten volledig zichtbaar te maken. Dat is bij de tot nog toe door haar overgelegde overzichten niet het geval geweest.
gedaagde] heeft na een eerste uitstel voor het nemen van een akte gevraagd om haar daarvoor een tweede uitstel te verlenen. Dat uitstel is haar geweigerd waarna zij geen akte meer heeft genomen. Het gevolg daarvan is dat thans bij gebreke van een voldoende onderbouwing niet van het door haar gestelde bedrag aan leefkosten van USD 33.709,00 kan worden uitgegaan. Bij de verdere beoordeling zal daarom van het door [eiser] in dit verband gestelde, en daarmee in zoverre door hem erkende, bedrag van USD 9.961,81 worden uitgegaan.
Naar aanleiding van de instructies in het tussenvonnis heeft [eiser] een akte genomen met producties. [gedaagde] zal in de gelegenheid worden gesteld om daarop met een antwoordakte te reageren. Voor die instructie wordt verwezen naar het bepaalde in het tussenvonnis onder 5.3, waaraan overigens niet afdoet dat [gedaagde] zelf geen eerste akte heeft genomen. Zij zal zich echter in haar antwoordakte strikt moeten beperken tot een reactie op de door [eiser] genomen akte. Er is geen gelegenheid meer om de in het tussenvonnis gevraagde overzichten alsnog in te brengen.
3 De beslissing
Het gerecht,
verwijst de zaak naar de rol van 30 oktober 2024 voor een door [gedaagde] te nemen antwoordakte als bedoeld in artikel 2.3.,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.