Uitspraak · Civiel recht
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 25 maart 2026
ECLI:NL:OGEAA:2026:87Zaaknummer AUA202300126
- Instantie
- Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Datum uitspraak
- 25 maart 2026
- Publicatiedatum
- 10 augustus 2026
- Zaaknummer
- AUA202300126
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Tussenuitspraak
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Civiel, ontvankelijkheid, nalatenschap, geldlening, hoedanigheid van vertegenwoordiger van de minderjarige.
4 DE UITSPRAAK
Het gerecht:
In conventie en in reconventie:
verwijst de zaak naar de rolzitting van 6 mei 2026 voor akte van DSM (P1) als bedoeld in rov. 3.8,
bepaalt dat de moeder daarna een vrij uitstel krijgt voor antwoordakte,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Vonnis van 25 maart 2026
Behorend bij AUA202300126 AR
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
DMS DELTA MANAGEMENT SERVICES NV,
te Aruba,
eiseres, hierna ook te noemen: DMS,
gemachtigde: mr. G. de Hoogd,
tegen:
oorspronkelijk:
de erven van wijlen [gedaagde 1],
te Aruba,
gedaagde, hierna ook te noemen: de erven,
en nu:
[Gedaagde 2],
te Aruba,
in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [minderjarige],
hierna te noemen: de moeder,
gedaagde,
gemachtigde: mr. G.L. Griffith
1 DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift,
- het tussenvonnis van 14 juni 2023,
- de akte uitlating van DMS,
- de rolbeschikking van 29 november 2023,
- de conclusie van antwoord;
- de incidentele akte schorsing en hervatting van de procedure,
- het antwoord in het incident,
- het tussenvonnis van 15 januari 2025,
- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie,
- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie,
- de conclusie van dupliek in reconventie,
- de akte uitlating producties in reconventie.
De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.
2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
DMS vordert dat, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, de erven worden veroordeeld tot betaling van Afl. 80.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 april 2022 tot aan de dag van betaling, met veroordeling van de erven in de proceskosten waaronder die van een conservatoir beslag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na heden tot de dag van betaling.
De erven vorderen dat, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, voor recht zal worden verklaard dat het conservatoire beslag op hun onroerende zaak onrechtmatig jegens de minderjarige is, dat dit beslag zal worden opgeheven en dat DSM in de proceskosten wordt veroordeeld.
Het gerecht zal op de standpunten van partijen hierna waar nodig nader ingaan.
4 DE BEOORDELING
Ontvankelijkheid
In het verzoekschrift worden als gedaagden aangemerkt: “de gezamenlijke erven van [gedaagde 1].” Gedurende de procedure werd een verklaring van erfrecht in het geding gebracht. Daaruit blijkt dat [minderjarige] de enige erfgenaam is en dat de moeder haar wettelijk vertegenwoordiger is.
Partijen (lees: advocaten) twisten over de vraag of DMS dat bij aanvang van de procedure al had moeten weten. In het incidentele vonnis van 15 januari 2025 is overwogen:
“3.2 Het punt is eenvoudig dat DMS de procedure verkeerd is begonnen. Dat levert geen grond voor de schorsing op.
DMS zal zich moeten beraden op het eindigen van de procedure tegen de erven op een ander manier.”
Het Gerecht ziet aanleiding om op deze overwegingen terug te komen Niet wat betreft de beoordeling van het ingestelde incident want de afwijzing daarvan is terecht; er is geen grond voor schorsing van de procedure. Maar wel wat betreft de overweging dat de procedure tegen de erven moet eindigen vanwege het feit dat “de erven” in rechte zijn betrokken en niet de minderjarige als enige erfgenaam.
Dat legt het Gerecht als volgt uit. Redenen van proces-economie en -efficiency brengen met zich dat het enkel vertragend en kostenverhogend is om van DMS te vergen een nieuwe procedure aan te vangen met als gedaagde de moeder in haar hoedanigheid van vertegenwoordiger van de minderjarige. Dat is nu feitelijk ook al het geval omdat alle betrokkenen er inmiddels van op de hoogte zijn dat de minderjarige de enige erfgenaam is en een inhoudelijk standpunt over de inhoudelijke kant ook al wordt gedeeld in de processtukken door de moeder. Kortom: er is geen goede reden denkbaar waarom de procedure nog eens moet worden “overgedaan”. Vandaar dat het Gerecht beslist, zoals in de aanhef van het vonnis is vermeld, dat de procedure verder gaat tussen DMS en de moeder.
De inhoudelijke beoordeling in conventie
De nalatenschap geldt als van rechtswege benificiair aanvaard vanwege de betrokkenheid van de minderjarige en moet dus worden vereffend. De taak van het Gerecht in deze procedure is om vast te stellen of DSM een vordering heeft op de nalatenschap zodat die vordering in de vereffening al dan niet moet worden betrokken.
DMS stelt dat sprake is van een geldlening aan de overledene, hierna: de erflater, en illustreert dat met een door beiden ondertekende Overeenkomst van Geldlening die is gedateerd op 1 juni 2020. Ook is er een e-mail van de erflater van 20 april 2022 aan DMS waarin hij een bedrag van Afl. 80.000,00 als schuldig erkent.
Bij dupliek in conventie kan de moeder (vanwege de perikelen of wel de juiste partij in de procedure was betrokken) voor het eerst inhoudelijke verweren voeren. Tijdens huwelijk noch na de echtscheiding is zij ooit op de hoogte gebracht van de geldlening. Zij stelt vraagtekens bij het saldobedrag, merkt op dat er geen overzicht van aflossingen in het geding wordt gebracht en een specificatie van de vervallen rente ontbreekt. Bij dupliek in reconventie is DMS daarop niet ingegaan en dat mocht natuurlijk ook niet.
Het Gerecht zal DMS de gelegenheid geven een akte (P1) in te dienen waarin het volgende, met bewijsstukken, moet worden toegelicht:
- de redenen van de geldlening,
- een specificatie van het verloop van de geldlening (uitbetaling hoofdsom, betalingen door erflater, opbouw rente),
- alle correspondentie tussen DMS en de erflater die ziet op de geldlening,
- reactie op de voorlopige verweren van de moeder bij dupliek in conventie.
Met deze gegevens zal de moeder kunnen bezien of zij zich wil verweren tegen de vordering en met welke argumenten. Daarvoor zal aan de moeder een vrij uitstel worden gegeven omdat het voor haar de eerste keer is dat zij de documenten ziet waartegen zij zich moet verweren.
In reconventie
Als summierlijk blijkt van een geldvordering mag een schuldeiser conservatoir beslag leggen. Dat geldt ook in geval van beneficiaire aanvaarding gevolgd door vereffening. Gelet op de onder 3.6 vermelde documenten geldt dat sprake is van summierlijk blijken van een geldvordering op de nalatenschap. Omdat de nalatenschap moet worden vereffend en de moeder de vordering betwist is er ook vrees voor verduistering van de onroerende zaak. Dat is mogelijk anders als de vereffening volgens de regels van de wet wordt opgepakt en aan DMS wordt bericht dat haar vordering daarin wordt meegenomen. Daarvan is nu niet gebleken. Alle beslissingen in reconventie worden daarom aangehouden.
4 DE UITSPRAAK
Het gerecht:
In conventie en in reconventie:
verwijst de zaak naar de rolzitting van 6 mei 2026 voor akte van DSM (P1) als bedoeld in rov. 3.8,
bepaalt dat de moeder daarna een vrij uitstel krijgt voor antwoordakte,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.