Uitspraak · Bestuursrecht
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 22 juli 2026
ECLI:NL:OGEAA:2026:206Zaaknummer AUA202503097
- Instantie
- Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Publicatiedatum
- 24 augustus 2026
- Zaaknummer
- AUA202503097
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verzoek vrijwilige uitdiensttreding (Lvut)
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, bijgestaan door M.R. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting 22 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dagtekening van deze uitspraak.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Uitspraak van 22 juli 2026
Lar nr. AUA202503097
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
[Appellante],
wonend in Aruba,
APPELLANTE,
gemachtigde: mr. L.A. Hernandis,
gericht tegen:
DE VOORZITTER VAN DE BEOORDELINGSCOMMISSIE VRIJWILLIGE UITDIENSTTREDING,
zetelende in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. V.M. Emerencia (DWJZ).
INLEIDING
Bij beslissing op bezwaar van 26 augustus 2025 (de bestreden beslissing) heeft verweerder appellante bericht dat de beschikking van 7 november 2024, waarbij haar verzoek om haar eervol ontslag te verlenen op grond van de Landsverordening vrijwillige uitdiensttreding (Lvut) is afgewezen, na bezwaar wordt gehandhaafd.
Hiertegen heeft appellante op 24 september 2025 beroep ingesteld bij het gerecht.
Verweerder heeft op 26 mei 2026 de op de zaak betrekking hebbende stukken en een pleitnota ingediend.
Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 27 mei 2026. Appellante is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij haar gemachtigde.
Hierna is de uitspraak bepaald op vandaag.
OVERWEGINGEN
2. Het gerecht is van oordeel dat het beroep van appellante ongegrond dient te worden verklaard en legt hierna dit oordeel uit.
Wat is relevant om te weten?
3. Appellante is werkzaam bij Educacion Profesional Intermedio (EPI) en was ter beschikking gesteld aan het bureau van de minister van Onderwijs en Sport als inhoudelijk adviseur medior. Bij het EPI bekleedde appellante de functie van manager studentenzaken. Bij aanvraagformulier van 1 juli 2024 heeft appellante verweerder verzocht om haar eervol ontslag te verlenen op grond van de Lvut. Bij beschikking van 7 november 2024 is deze aanvraag afgewezen. Hiertegen heeft appellante op 16 december 2024 bezwaar gemaakt. Bij de bestreden beslissing van 26 augustus 2025 heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd.
Wat is het standpunt van verweerder?
4. Verweerder heeft aan de bestreden beslissing ten grondslag gelegd dat toekenning van vrijwillige uitdiensttreding aan appellante kwalitatieve en kwantitatieve gevolgen voor de dienst met zich zal brengen. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat appellante bij EPI de functie van manager studentenzaken vervult en dat toekenning van het verzoek tot personeelstekort zal leiden, nu vervanging niet mogelijk is. Er komen volgens verweerder geen begrotingsmiddelen vrij om een nieuwe indienstneming te kunnen begroten. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat gezondheidsproblemen slechts in uitzonderlijke gevallen aanleiding kunnen vormen om vrijwillige uitdiensttreding toe te kennen en dat in dit geval geen sprake is van een uitzonderingssituatie. Volgens verweerder moet vast komen te staan dat ten gevolge van medische problemen de werkhervatting in zijn geheel en langdurig niet mogelijk is, waardoor de toekenning van vrijwillige uitdiensttreding goedkoper - althans niet duurder - is dan het stelstel van arbeidsongeschiktheid. Gelet op hetgeen appellante naar voren heeft gebracht en het ziekteverzuim van appellante is daarvan niet gebleken. Ter zitting heeft appellante aangevoerd dat de directeur EPI heeft geadviseerd om het verzoek van appellante toe te wijzen. Dit advies staat volgens appellante haaks tegenover de genomen beslissing.
Wat is het standpunt van appellante?
5. Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden beslissing. Appellante heeft daartoe aangevoerd dat verweerder de bestreden beslissing heeft genomen zonder het advies van de bezwaaradviescommissie af te wachten. Daarnaast heeft appellante verschillende oplossingen aangedragen waarmee EPI haar vertrek zou kunnen opvangen, maar verweerder heeft geen van deze oplossingen in zijn beoordeling betrokken. Voorts heeft appellante aangevoerd dat haar huidige functie niet formeel is opgenomen in de organisatiestructuur van EPI. Dit betekent dat er geen taak- of functieomschrijving voor haar functie bestaat. Verder heeft verweerder volgens appellante ten onrechte de overgelegde doktersverklaring buiten beschouwing gelaten. Appellante kampt met fysieke klachten, waaronder aanhoudende stress, die rechtstreeks samenhangen met haar werkzaamheden. Daarnaast wijst appellante erop dat aan een andere ambtenaar wel VUT is toegekend op grond van een doktersverklaring, terwijl haar verzoek is afgewezen. Volgens appellante handelt verweerder daarmee in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.
Wat zegt de wet?
Ingevolge artikel 2, eerste lid van de Lvut kunnen ambtenaren en overheidswerknemers gedurende een bij landsbesluit vast te leggen periode van twee maanden een verzoek doen om in aanmerking te komen voor eervol ontslag, respectievelijk tussentijdse beëindiging van de arbeidsovereenkomst, onder gelijktijdige toekenning van in deze landsverordening nader omschreven bijzondere aanspraken.
Ingevolge artikel 7 van de Lvut beoordeelt de Beoordelingscommissie vrijwillige uitdiensttreding ieder verzoek tot vrijwillige uitdiensttreding op de kwalitatieve en kwantitatieve gevolgen voor de bezetting van de overheidsdienst.
Ingevolge artikel 10, tweede lid van de Lvut weigert de Commissie een verzoek als bedoeld in artikel 9, eerste lid, alleen, indien het ontslag naar haar oordeel de continuïteit van een behoorlijke dienstverlening door de organisatorische eenheid waar de verzoeker werkzaam is, onevenredig zou schaden, en dit nadelige kwalitatieve of kwantitatieve gevolgen voor de bezetting van de overheidsdienst zou hebben.
Bij Landsbesluit van 24 mei 2024 (AB 2024 no. 21) is een nieuwe periode voor het indienen van een verzoek tot vrijwillige uitdiensttreding bepaald vanaf 3 juni 2024 tot 5 augustus 2024.
Wat vindt het gerecht?
In geschil is de vraag of verweerder heeft mogen besluiten om aan appellante geen VUT toe te kennen, omdat dat anders de continuïteit van een behoorlijke dienstverlening van het EPI onevenredig zou schaden, en dit nadelige kwalitatieve of kwantitatieve gevolgen voor de bezetting van deze overheidsdienst zou hebben.
Het gerecht toetst de beschikking van verweerder aan de hand van de daartegen aangevoerde beroepsgronden. De beroepsgronden van appellant hebben in de eerste plaats betrekking op de wijze waarop de besluitvorming door verweerder heeft plaatsgevonden. Appellante stelt dat verweerder de bestreden beslissing heeft genomen zonder een advies van de bezwaaradviescommissie af te wachten. Deze beroepsgrond faalt. Het gerecht stelt vast dat in dit geval geen advies van de bezwaaradviescommissie is uitgebracht binnen de daarvoor gestelde termijn. Voorts is niet gebleken dat zich een van de gevallen voordoet als bedoeld in artikel 17, vierde lid, onder a en b van de Lar. Uit de door verweerder ingediende stukken blijkt dat het bezwaarschrift op 13 januari 2025 in handen van de BAC is gesteld ter verdere afhandeling. Nu de BAC niet binnen de in artikel 16, eerste lid, van de Lar genoemde termijn van vier weken advies heeft uitgebracht (en van verlenging van die termijn niet is gebleken) rustte op verweerder op grond van artikel 20, eerste lid, van de Lar de verplichting om binnen zes weken na het verstrijken van die termijn een beslissing op het bezwaar te nemen. Verweerder heeft dit ook gedaan. Daarbij neemt het gerecht in aanmerking dat verweerder over de voor de besluitvorming benodigde informatie beschikte. Onder deze omstandigheden stond het verweerder vrij om op het bezwaar te beslissen zonder het advies van de bezwaaradviescommissie af te wachten. Het gerecht ziet ook overigens geen grond voor het oordeel dat de bestreden beslissing, door appellanten niet te (doen) horen, onzorgvuldig is voorbereid. Deze beroepsgrond faalt.
Het gerecht stelt eerst voorop dat verweerder een zekere mate van beoordelingsvrijheid heeft bij de toepassing van artikel 10, tweede lid, van de Lvut. Alleen wanneer deze grenzen worden overschreden, is rechterlijk ingrijpen gerechtvaardigd. Het gerecht stelt voorts vast dat de Lvut slechts ruimte laat voor weigering van het verzoek indien het ontslag naar het oordeel van verweerder de continuïteit van een behoorlijke dienstverlening door de organisatorische eenheid waar de appellante werkzaam is, onevenredig zou schaden, en dit nadelige kwalitatieve of kwantitatieve gevolgen zou hebben voor de bezetting van de overheidsdienst.
Naar het oordeel van het gerecht heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat het vertrek van appellante kwalitatieve en kwantitatieve gevolgen heeft voor de dienst en dat de Lvut niet ertoe strekt dat de dienst vervangend personeel moet aantrekken uitsluitend om een ambtenaar in staat te stellen vrijwillig uit dienst te treden. Het gerecht acht dit standpunt niet onredelijk. Voorts heeft verweerder de medische omstandigheden van appellante bij zijn besluitvorming betrokken. Uit de stukken blijkt dat verweerder informatie heeft ingewonnen omtrent het ziekteverzuim van appellante en heeft beoordeeld of sprake is van zodanige medische problematiek dat werkhervatting duurzaam niet mogelijk moet worden geacht. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat slechts in uitzonderlijke gevallen medische omstandigheden aanleiding kunnen geven tot toekenning van vrijwillige uitdiensttreding, namelijk indien werkhervatting langdurig of blijvend niet mogelijk is en toepassing van de regeling niet duurder is dan het arbeidsongeschiktheidsstelsel. Naar het oordeel van het gerecht heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat uit de overgelegde medische informatie niet blijkt van ernstige, acute of levensbedreigende medische klachten, noch van een situatie waarin duurzame werkhervatting onmogelijk is. Ten aanzien van het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel overweegt het gerecht dat appellante eerst in beroep heeft aangevoerd dat aan andere ambtenaren wel vrijwillige uitdiensttreding zou zijn toegekend op grond van een doktersverklaring. Appellante heeft deze stelling echter niet nader geconcretiseerd met namen, functies of andere verifieerbare gegevens. Reeds daarom kan niet worden vastgesteld dat sprake is van gelijke gevallen die ongelijk zijn behandeld. Verweerder heeft bovendien toegelicht dat ook in die gevallen slechts tot toekenning wordt overgegaan indien sprake is van medische omstandigheden waardoor werkhervatting niet meer mogelijk is.
8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder het verzoek van appellante om vrijwillige uitdiensttreding heeft mogen weigeren. Het beroep is ongegrond.
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, bijgestaan door M.R. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting 22 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dagtekening van deze uitspraak.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.