Uitspraak · Bestuursrecht

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 22 juli 2026

ECLI:NL:OGEAA:2026:205Zaaknummer AUA202502853

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
24 augustus 2026
Zaaknummer
AUA202502853
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

verzoek vrijwilige uitdiensttreding (Lvut)

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, bijgestaan door M.R. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting 22 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dagtekening van deze uitspraak.

Het hoger beroep moet worden ingediend bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

  • het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
  • een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
  • vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.

Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. INLEIDING
  2. OVERWEGINGEN
  3. BESLISSING

Uitspraak van 22 juli 2026

Lar nr. AUA202502853

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[Appellante],

wonend in Aruba,

APPELLANTE,

gemachtigde: de advocaat mr. P.M.E. Mohamed,

gericht tegen:

DE VOORZITTER VAN DE BEOORDELINGSCOMMISSIE VRIJWILLIGE UITDIENSTTREDING,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. V.M. Emerencia (DWJZ).

INLEIDING

1.1

Bij beslissing op bezwaar van 24 juli 2025 (de bestreden beslissing) heeft verweerder appellante bericht dat de beschikking van 26 september 2024, waarbij haar verzoek om haar eervol ontslag te verlenen op grond van de Landsverordening vrijwillige uitdiensttreding (Lvut) is afgewezen, na bezwaar wordt gehandhaafd.

1.2

Hiertegen heeft appellante op 4 september 2025 pro-forma beroep ingesteld bij het gerecht. Appellante heeft op 10 oktober 2025 de gronden waarop haar beroep berust, aangevuld.

1.3

Verweerder heeft op 15 april 2026 de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

1.4

Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 27 mei 2026. Appellante is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij haar gemachtigde.

1.5

Hierna is de uitspraak bepaald op vandaag.

OVERWEGINGEN

2. Het gerecht is van oordeel dat het beroep van appellante ongegrond dient te worden verklaard en legt hierna dit oordeel uit.

Wat is relevant om te weten?

3. Appellante is als administratief medewerker werkzaam bij het Orthopedagogisch Centrum (OC). Bij aanvraagformulier van 18 juli 2024 heeft appellante verweerder verzocht om haar eervol ontslag te verlenen op grond van de Lvut. Bij beschikking van 26 september 2024 is deze aanvraag afgewezen. Hiertegen heeft appellante op 3 oktober 2024 bezwaar gemaakt. Bij de bestreden beslissing van 24 juli 2025 heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd.

Wat is het standpunt van verweerder?

4. Verweerder heeft aan de bestreden beslissing ten grondslag gelegd dat toekenning van vrijwillige uitdiensttreding aan appellante kwalitatieve en kwantitatieve gevolgen voor de dienst met zich zal brengen. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat binnen het OC twee formatieplaatsen bestaan voor de functie van administratief medewerker en dat appellante als enige deze functie vervult. De dienst functioneert derhalve reeds met een minimale bezetting. Toekenning van het verzoek tot vrijwillige uitdiensttreding zal leiden tot een verdere capaciteitsafname, nu interne vervanging niet mogelijk is. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat gezondheidsproblemen slechts in uitzonderlijke gevallen aanleiding kunnen vormen om vrijwillige uitdiensttreding toe te kennen en dat in dit geval geen sprake is van een uitzonderingssituatie. De door appellante aangevoerde mantelzorgsituatie vormt, hoe invoelbaar ook, volgens verweerder geen uitzonderlijke humanitaire omstandigheid. Ten slotte heeft verweerder aangevoerd dat met toekenning van de vrijwillige uitdiensttreding geen middelen vrijkomen.

Wat is het standpunt van appellante?

5. Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden beslissing. Appellante heeft daartoe aangevoerd dat er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. In dit verband heeft zij gewezen op de gezondheidstoestand van haar 92-jarige moeder. Haar moeder woont bij appellante, verkeert vanwege haar hoge leeftijd in een kwetsbare gezondheidstoestand en is met name fragiel als gevolg van een hartconditie. Daarnaast lijdt zij aan depressieve klachten. Volgens appellante is zij de enige die de zorg voor haar moeder op zich neemt. Appellante stelt zich op het standpunt dat verweerder het verzoek om humanitaire redenen had kunnen toewijzen. Voorts heeft appellante aangevoerd dat verweerder werknemers van stichting Huntu kan overplaatsen dan wel inzetten bij het OC. Volgens appellante is dit in vergelijkbare gevallen in het verleden zonder problemen gebeurd. Ter zitting heeft appellante zich voorts op het standpunt gesteld dat verweerder een ambtenaar uit de overtolligheidspool kan inzetten ter vervulling van haar functie, zodat aan haar verzoek om vervroegd uittreden (VUT) kan worden tegemoetgekomen.

Wat zegt de wet?

6.1

Ingevolge artikel 2, eerste lid van de Lvut kunnen ambtenaren en overheidswerknemers gedurende een bij landsbesluit vast te leggen periode van twee maanden een verzoek doen om in aanmerking te komen voor eervol ontslag, respectievelijk tussentijdse beëindiging van de arbeidsovereenkomst, onder gelijktijdige toekenning van in deze landsverordening nader omschreven bijzondere aanspraken.

6.2

Ingevolge artikel 7 van de Lvut beoordeelt de Beoordelingscommissie vrijwillige uitdiensttreding ieder verzoek tot vrijwillige uitdiensttreding op de kwalitatieve en kwantitatieve gevolgen voor de bezetting van de overheidsdienst.

6.3

Ingevolge artikel 10, tweede lid van de Lvut weigert de Commissie een verzoek als bedoeld in artikel 9, eerste lid, alleen, indien het ontslag naar haar oordeel de continuïteit van een behoorlijke dienstverlening door de organisatorische eenheid waar de verzoeker werkzaam is, onevenredig zou schaden, en dit nadelige kwalitatieve of kwantitatieve gevolgen voor de bezetting van de overheidsdienst zou hebben.

6.4

Bij Landsbesluit van 24 mei 2024 (AB 2024 no. 21) is een nieuwe periode voor het indienen van een verzoek tot vrijwillige uitdiensttreding bepaald vanaf 3 juni 2024 tot 5 augustus 2024.

Wat vindt het gerecht?

7.1

In geschil is de vraag of verweerder heeft mogen besluiten om aan appellante geen VUT toe te kennen, omdat dat anders de continuïteit van een behoorlijke dienstverlening van het OC onevenredig zou schaden, en dit nadelige kwalitatieve of kwantitatieve gevolgen voor de bezetting van deze overheidsdienst zou hebben.

7.2

Het gerecht toetst de beschikking van verweerder aan de hand van de daartegen aangevoerde beroepsgronden. Het gerecht stelt eerst voorop dat verweerder een zekere mate van beoordelingsvrijheid heeft bij de toepassing van artikel 10, tweede lid, van de Lvut. Alleen wanneer deze grenzen worden overschreden, is rechterlijk ingrijpen gerechtvaardigd. Het gerecht stelt voorts vast dat de Lvut slechts ruimte laat voor weigering van het verzoek indien het ontslag naar het oordeel van verweerder de continuïteit van een behoorlijke dienstverlening door de organisatorische eenheid waar de appellante werkzaam is, onevenredig zou schaden, en dit nadelige kwalitatieve of kwantitatieve gevolgen zou hebben voor de bezetting van de overheidsdienst.

7.3

Naar het oordeel van het gerecht heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat toekenning van vrijwillige uitdiensttreding aan appellante nadelige kwalitatieve en kwantitatieve gevolgen voor de bezetting van het OC zou hebben. Verweerder heeft daartoe voldoende concreet gemotiveerd dat binnen het OC slechts twee formatieplaatsen bestaan voor de functie van administratief medewerker en dat appellante als enige deze functie vervult. Verder heeft verweerder toegelicht dat de dienst reeds met een minimale bezetting functioneert en dat interne vervanging niet mogelijk is. Gelet hierop heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat het vertrek van appellante de continuïteit van de dienstverlening onevenredig zou schaden.

De door appellante aangevoerde persoonlijke omstandigheden, hoe ingrijpend en begrijpelijk ook, leiden niet tot een ander oordeel. Het gerecht neemt daarbij in aanmerking dat artikel 10, tweede lid, van de Lvut uitsluitend ziet op de gevolgen van het vertrek van de betrokken werknemer voor de dienstverlening en de bezetting van de overheidsdienst. De Lvut bevat geen bepaling op grond waarvan verweerder gehouden is een verzoek om vrijwillige uitdiensttreding wegens humanitaire omstandigheden toe te wijzen. Verweerder heeft de mantelzorgsituatie van appellante in zijn besluitvorming betrokken, maar heeft daarin in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om van weigering af te zien. Ook het betoog van appellante dat werknemers van stichting Huntu of van de overtolligheidspool kunnen worden ingezet of overgeplaatst naar het OC, leidt niet tot vernietiging van de bestreden beslissing. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke oplossing daadwerkelijk beschikbaar was en op korte termijn gerealiseerd kon worden. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat interne vervanging niet mogelijk was. Voor zover appellante heeft gewezen op het positieve advies van haar directeur, overweegt het gerecht dat dit advies verweerder niet bindt. De uiteindelijke beoordeling of aan de voorwaarden van artikel 10, tweede lid, van de Lvut is voldaan, komt toe aan verweerder.

8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder het verzoek van appellante om vrijwillige uitdiensttreding heeft mogen weigeren. Het beroep is ongegrond.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, bijgestaan door M.R. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting 22 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dagtekening van deze uitspraak.

Het hoger beroep moet worden ingediend bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

  • het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
  • een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
  • vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.

Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.