Uitspraak · Bestuursrecht

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 9 juli 2026

ECLI:NL:OGEAA:2026:202Zaaknummer AUA202402788

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
19 augustus 2026
Zaaknummer
AUA202402788
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond, geen belanghebbende.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. Martijn, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier, mr. A. de Cuba.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dagtekening van deze uitspraak.

Het hoger beroep moet worden ingediend bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

  • het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
  • een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
  • vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.

Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. INLEIDING
  2. CONCLUSIE EN GEVOLGEN
  3. BESLISSING

Uitspraak van 9 juli 2026

Lar nr. AUA202402788

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

THREE RIVERS REAL ESTATE VBA,

gevestigd in Aruba,

APPELLANTE,

gemachtigden: de advocaten mrs. M.R.M. Reinkemeyer en A.A. Ruiz,

gericht tegen:

DE MINISTER BELAST MET INFRASTRUCTUUR EN RUIMTELIJKE ONTWIKKELING,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. V.M. Emerencia (DWJZ).

met als derde-belanghebbende:

[Belanghebbende],

wonende in Aruba,

procederend in persoon.

INLEIDING

1.1

Op 20 juni 2023 heeft appellante verweerder verzocht om openbaarmaking krachtens de Landsverordening openbaarheid van bestuur van alle documenten die betrekking hebben op de bouwvergunningen voor de percelen plaatselijk bekend als [adres 1], [adres 2], [adres 3], [adres 4], [adres 5], [adres 6] en [adres 7] (het Lob-verzoek).

1.2

Tegen het uitblijven van een beschikking op dat verzoek heeft appellante op 24 oktober 2023 bezwaar gemaakt.

1.3

Op eveneens 20 juni 2023 heeft appellante verweerder verzocht vast te (doen) stellen of de op voornoemde percelen opgetrokken opstallen volledig conform de betreffende bouwvergunningen zijn gebouwd en voor zo ver er enige afwijking met de betreffende bouwvergunningen wordt geconstateerd, om tegen de eventueel illegaal gebouwde (onderdeel dan wel onderdelen van de) opstal(len) handhavend op te treden (het handhavingsverzoek).

1.4

Tegen het uitblijven van een beschikking op dat verzoek heeft appellante op 24 oktober 2023 bezwaar gemaakt.

1.5

Op 2 november 2023 heeft appellante verweerder verzocht om, met inachtneming van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Bouw- en woningverordening (Bwv), de bouwvergunning met nummer [bouwvergunningnummer 1] (behorende tot het perceel te [adres 7] van [belanghebbende]) en bouwvergunning met nummer [bouwvergunningnummer 2] (behorende tot het perceel te [adres 4] van [betrokkene]) in te trekken (het intrekkingsverzoek).

1.6

Tegen het uitblijven van een beschikking op dat verzoek heeft appellante op 11 maart 2024 bezwaar gemaakt.

1.7

Bij beslissing van 25 juni 2024 (bestreden beslissing) heeft verweerder de bezwaren van appellante gericht tegen het uitblijven van een beschikking op het Lob-verzoek, het handhavingsverzoek en het intrekkingsverzoek, niet-ontvankelijk verklaard.

1.8

Hiertegen heeft appellante op 5 augustus 2024 beroep ingesteld bij het gerecht.

1.9

Verweerder heeft op 27 november 2024 een verweerschrift ingediend.

1.10

Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 28 mei 2025. Appellante is verschenen bij haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De derde-belanghebbende is in persoon verschenen. De zaak is vervolgens aangehouden om appellante en de derde-belanghebbende in de gelegenheid te stellen te onderzoeken of zij tot een regeling konden komen, zodat de zaak kon worden ingetrokken.

1.11

De derde-belanghebbende heeft zich bij akte van 5 juni 2025 uitgelaten. Vervolgens is appellante in de gelegenheid gesteld zich bij akte van 25 juni 2025 uit te laten.

1.12

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft op 18 februari 2026 plaatsgevonden. Appellante is verschenen bij haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De derde-belanghebbende is in persoon verschenen.

1.13

De uitspraak is nader bepaald op heden.

OVERWEGINGEN Omvang van het beroep

2. Appellante heeft ter zitting van 18 februari 2026 verklaard dat het beroep thans uitsluitend ziet op de bestreden beslissing voor zover deze betrekking heeft op het gebouwde op het perceel van de derde-belanghebbende, [adres 7], en de aan haar verleende bouwvergunning ([bouwvergunningnummer 1]). Verder heeft appellante verklaard dat het beroep niet langer ziet op de bestreden beslissing voor zover deze betrekking heeft op het uitblijven van een beslissing op het Lob-verzoek. Een beoordeling van dit onderdeel kan daarom achterwege blijven.

Wat zijn de relevante feiten?

3.1

Op 28 mei 2020 zijn aan appellante bouwvergunningen verleend voor de bouw van een hotelresort te Sero Colorado. Tegen deze bouwvergunningen zijn door de derde-belanghebbende, [belanghebbende], en andere omwonenden diverse bezwaar-, beroep-, en hoger beroepschriften ingediend. Bij uitspraak van het Hof van 4 september 2024 (ECLI:NL:OGHACMB:2024:169) zijn de bouwvergunningen onherroepelijk geworden. Het hotelresort is inmiddels gerealiseerd en operatief.

3.2

Aan de derde-belanghebbende behoort toe het perceel [adres 7] met de daarop gebouwde woning. Dit perceel is gelegen op een afstand van ongeveer 80 meter van het perceel van appellante, waarop het hotelresort is gebouwd. Aan de derde-belanghebbende is in 2005 een bouwvergunning ([bouwvergunningnummer 1]) verleend voor de bijbouw van een garage, meidenkamer en een hobbykamer. Van deze vergunde bouwwerken is uitsluitend de garage gerealiseerd.

3.3

Op 20 juni 2023 heeft appellante het handhavingsverzoek gedaan en op 2 november 2023 het intrekkingsverzoek. Tegen het uitblijven van een beslissing op beide verzoeken heeft appellante bezwaar gemaakt. Bij de bestreden beslissing heeft verweerder dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

De bestreden beslissing

4. Aan de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op het handhavingsverzoek heeft verweerder ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat appellante niet als belanghebbende bij dat verzoek kan worden aangemerkt en dat zij bovendien geen belang meer heeft bij het bezwaar, omdat inmiddels uitvoering is gegeven aan het handhavingsverzoek.

Ook aan de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op het intrekkingsverzoek heeft verweerder ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat appellante niet als belanghebbende bij dat verzoek kan worden aangemerkt en dat zij bovendien geen belang daarbij heeft, omdat eerst de opname van de vergunde situatie ter plaatse moet worden afgewacht alvorens kan worden overgegaan tot kennisgeving van het voornemen tot intrekking.

Standpunten van partijen met betrekking tot het handhavingsverzoek

5.1

Appellante kan zich niet verenigen met het standpunt van verweerder dat zij niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het handhavingsverzoek. Daartoe voert zij aan dat de derde-belanghebbende de garage, gelet op de ligging en de constructie daarvan, niet overeenkomstig de verleende bouwvergunning heeft gebouwd. Daarnaast heeft de derde-belanghebbende gehandeld in strijd met de erfpachtvoorwaarden, omdat de voorgeschreven afstand van drie meter tot de zij- en achtergrens niet in acht is genomen. Voorts heeft de derde-belanghebbende zonder bouwvergunning een zwembad gerealiseerd en een erfafscheiding buiten de erfgrenzen gebouwd. Ook zouden de daken van de woning zonder de vereiste vergunning zijn aangepast. Volgens appellante wordt zij door deze overtredingen rechtstreeks in haar belangen getroffen. Zij stelt dat zij eerst recentelijk van deze overtredingen op de hoogte is geraakt en dat verweerder gehouden is daartegen handhavend op te treden. De omstandigheid dat de gestelde overtredingen reeds bestonden toen appellante met haar bouwproject is aangevangen, maakt volgens haar niet dat zij niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Evenmin volgt uit de omstandigheid dat in eerdere procedures over de aan haar verleende bouwvergunningen voor het hotelresort is betoogd dat de derde-belanghebbende daarbij geen belanghebbende was, dat appellante in deze procedure niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Daarbij acht appellante van belang dat verweerder de derde-belanghebbende in die eerdere procedures aanvankelijk juist wél als belanghebbende heeft aangemerkt.

5.2

Verweerder stelt zich, onder verwijzing naar voornoemde uitspraak van het Hof (ECLI:NL:OGHACMB:2024:169), op het standpunt dat uitsluitend een rechtstreeks belanghebbende een verzoek om handhaving kan indienen en dat appellante in dit geval niet als zodanig kan worden aangemerkt. Volgens verweerder hebben de gestelde overtredingen, bestaande uit vermeend illegaal opgerichte bouwwerken dan wel bouwwerken die in strijd met de verleende bouwvergunningen zijn opgericht, geen rechtstreekse feitelijke gevolgen van enige betekenis voor appellante. In dat verband wijst verweerder erop dat de desbetreffende bouwwerken zich op aanzienlijke afstand van het hotelresort van appellante bevinden en reeds aanwezig waren ten tijde van de aanvang van de bouw van dat hotelresort. Van rechtstreekse gevolgen van enige betekenis is volgens verweerder dan ook geen sprake.

Daarnaast wijst verweerder erop dat appellante zich in eerdere procedures, aangespannen door de derde-belanghebbende tegen de aan appellante verleende bouwvergunningen voor het hotelresort, zelf op het standpunt heeft gesteld dat de derde-belanghebbende in die procedures niet als belanghebbende kon worden aangemerkt, omdat zij geen hinder ondervond van de gevolgen van het bouwproject van appellante voor haar uitzicht en de afstand tot dat bouwproject groot was. Volgens verweerder geldt hetzelfde in de onderhavige procedure, zodat ook appellante niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.

5.3

De derde-belanghebbende heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Is appellante belanghebbende bij het handhavingsverzoek?

6.1

Artikel 3, eerste lid, van de Lar bepaalt dat onder belanghebbende in de zin van deze landsverordening wordt verstaan degene die wiens belang rechtstreeks bij een beschikking is betrokken.

Artikel 9, eerste lid, bepaalt dat degene die door een beschikking in zijn belang is getroffen, het bestuursorgaan kan verzoeken de beschikking in heroverweging te nemen, tenzij deze op bezwaar is genomen. Het tweede lid bepaalt – voor zover hier van belang – dat het uitblijven van een beschikking binnen twaalf weken nadat daartoe door de belanghebbende een verzoek is ingediend, wordt gelijkgesteld met een afwijzende beschikking.

6.2

In geschil is allereerst of appellante kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het door haar ingediende handhavingsverzoek en, daarmee, op grond van artikel 9, tweede lid, van de Lar kan opkomen tegen het uitblijven van een beschikking op dat verzoek.

6.3

Voor de beantwoording van de vraag of appellante belanghebbende is bij het verzoek om handhaving, is bepalend of zij rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van de gestelde overtredingen. Dit criterium is in de jurisprudentie nader ingevuld met het vereiste dat sprake moet zijn van gevolgen van enige betekenis. Bij die beoordeling wordt onder meer betrokken dat de gestelde overtredingen zich voordoen op een ander perceel dan het perceel waarvan appellante rechthebbende is, evenals de aard van de gestelde overtredingen, de afstand tussen beide percelen, het zicht op de overtredingen, de planologische en feitelijke ruimtelijke uitstraling daarvan en de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen voor de bedrijfsvoering van appellante en de exploitatie van het hotelresort. Tevens wordt beoordeeld of deze gevolgen objectief bepaalbaar zijn en rechtstreeks aan de gestelde overtredingen kunnen worden toegerekend.

6.4

Naar het oordeel van het gerecht heeft appellante geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat zij als gevolg van de door haar gestelde overtredingen rechtstreeks feitelijke gevolgen van enige betekenis ondervindt voor haar bedrijfsvoering of de exploitatie van haar hotelresort. Zij heeft in het bijzonder niet geconcretiseerd op welke wijze de gestelde overtredingen leiden tot hinder voor haar gasten, een aantasting van het verblijfsklimaat of anderszins tot een belemmering van de exploitatie van het hotelresort. De enkele stelling dat verweerder gehouden is handhavend op te treden tegen overtredingen, is daarvoor onvoldoende. Daarbij neemt het gerecht in aanmerking dat de gestelde overtredingen betrekking hebben op het perceel van de derde-belanghebbende, waarop zich een woning bevindt, terwijl dit perceel op ongeveer 80 meter van het perceel van appellante is gelegen. Eveneens betrekt het gerecht dat de gestelde overtredingen reeds bestonden voordat appellante haar hotelresort op haar perceel realiseerde.

Dat de derde-belanghebbende als belanghebbende is aangemerkt in eerdere procedures over de aan appellante verleende bouwvergunningen, leidt niet tot een ander oordeel. Die procedures hadden betrekking op de realisatie van een hotelresort met circa 600 kamers, waarvan de ruimtelijke uitstraling en de aard, intensiteit en omvang van de feitelijke gevolgen niet vergelijkbaar zijn met de gestelde overtredingen op het perceel van de derde-belanghebbende. De vraag of een persoon of entiteit als belanghebbende kan worden aangemerkt, moet steeds worden beantwoord aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval.

Gelet op het voorgaande is het gerecht van oordeel dat appellante niet als belanghebbende bij haar verzoek om handhaving kan worden aangemerkt.

6.5

De conclusie luidt dan ook dat verweerder het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op het handhavingsverzoek terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hetgeen appellante overigens ten aanzien van dit onderdeel heeft aangevoerd, behoeft daarom geen verdere bespreking.

Is appellante belanghebbende bij het intrekkingsverzoek?

7.1

Ook wat betreft het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek om intrekking van de aan de derde-belanghebbende verleende bouwvergunning [bouwvergunningnummer 1] dient te worden beoordeeld of appellante als belanghebbende bij dat verzoek kan worden aangemerkt.

Naar het oordeel van het gerecht heeft appellante ook in dit verband geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat zij bij het in stand laten van die bouwvergunning rechtstreeks gevolgen van enige betekenis ondervindt voor haar bedrijfsvoering of de exploitatie van haar hotelresort. Het gerecht verwijst in dit verband naar hetgeen hiervoor is overwogen over de ligging van de percelen en het ontbreken van concrete feiten of omstandigheden waaruit dergelijke gevolgen blijken. De enkele stelling dat de derde-belanghebbende niet overeenkomstig de verleende bouwvergunning heeft gebouwd dan wel anderszins in strijd heeft gehandeld met de Bwv en verweerder de bouwvergunning daarom op grond van artikel 29, eerste lid, van die landsverordening had moeten intrekken, maakt niet dat appellante daardoor rechtstreeks gevolgen van enige betekenis ondervindt. Die stelling is daarom onvoldoende om haar als belanghebbende bij het intrekkingsverzoek aan te merken.

7.2

Gelet op het voorgaande heeft verweerder het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek om intrekking van de bouwvergunning terecht niet-ontvankelijk verklaard. Hetgeen appellante voor het overige over dit onderdeel heeft aangevoerd, behoeft daarom geen verdere bespreking.

CONCLUSIE EN GEVOLGEN

8. Nu verweerder het bezwaar van appellante op beide onderdelen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, is het beroep ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. Martijn, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier, mr. A. de Cuba.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dagtekening van deze uitspraak.

Het hoger beroep moet worden ingediend bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

  • het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
  • een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
  • vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.

Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.