Uitspraak · Civiel recht
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 8 juli 2026
ECLI:NL:OGEAA:2026:183Zaaknummer AUA202601121 EJ
- Instantie
- Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Datum uitspraak
- 8 juli 2026
- Publicatiedatum
- 20 juli 2026
- Zaaknummer
- AUA202601121 EJ
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Huurcommissie: niet-ontvankelijk in zijn beroep.
5 DE BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep,
bepaalt dat partijen de proceskosten voor eigen rekening houden.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Beschikking van 8 juli 2026
Behorend bij AUA202601121 EJ
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
in de zaak van:
[Appellant],
te Aruba,
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
procederend in persoon,
tegen:
de naamloze vennootschap
CLW MANAGEMENT SERVICES N.V.,
te Aruba,
geïntimeerde,
hierna te noemen: CLW,
gemachtigde: de advocaat mr. E.E. Rosenstand.
1 DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:
het beroepschrift, ingediend op 10 april 2026;
de behandeling van de zaak ter zitting van 23 juni 2026.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen [appellant] in persoon. CLW is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Tevens was aanwezig de tolk [betrokkene] die al hetgeen is gezegd heeft vertaald.
Beschikking is bepaald op vandaag.
2 DE FEITEN
CLW is eigenaar van de woning gelegen aan [adres] te Aruba (hierna: het gehuurde).
Appellant] huurt het gehuurde sinds 8 januari 2024 tegen een maandelijkse huurprijs van Afl. 1.150,- aan CLW.
CLW heeft op 19 februari 2026 bij de Huurcommissie van Aruba (hierna: de Huurcommissie) een verzoek ingediend tot het verlenen van toestemming voor de opzegging van de huurovereenkomst.
Bij beschikking van 10 april 2026 heeft de Huurcommissie in zaaknummer HOP/2026/053 [appellant] in de gelegenheid gesteld om de opgebouwde huurachterstand binnen twee maanden volledig te voldoen. Daarbij is bepaald dat de huurachterstand uiterlijk op 26 mei 2026 volledig moet zijn ingelopen. Daarnaast dient [appellant] met ingang van 10 april 2026 de maandelijkse huurprijs van Afl. 1.200,-- steeds tijdig en volledig te voldoen. Op grond van het voorgaande dient CLW de Huurcommissie uiterlijk op 1 juni 2026 te berichten of [appellant] aan de gestelde voorwaarden heeft voldaan. Indien blijkt dat [appellant] daaraan niet heeft voldaan, zal de Huurcommissie een datum bepalen voor de mondelinge behandeling van de zaak. Daarna zal de Huurcommissie beslissen op het verzoek van CLW tot beëindiging van de huurovereenkomst.
3 HET BEROEP
appellant] stelt zich op het standpunt dat CLW de huurovereenkomst ten onrechte wenst te beëindigen omdat volgens hem geen sprake is van een huurachterstand. Daarnaast verzoekt [appellant] CLW te veroordelen tot betaling van een bedrag van Afl. 726,95. Hij voert daartoe aan dat hij dit bedrag heeft besteed aan het onderhoud en de verbetering van het appartement en dat deze kosten voor rekening van CLW behoren te komen.
CLW heeft verweer gevoerd en heeft geconcludeerd om [appellant] niet ontvankelijk te verklaren dan wel het beroep af te wijzen, met veroordeling van [appellant] – uitvoerbaar bij voorraad – in de kosten van dit geding.
Voorzover van belang voor de beoordeling worden de stellingen van partijen hierna besproken.
4 DE BEOORDELING
CLW heeft de Huurcommissie verzocht de tussen partijen bestaande huurovereenkomst te beëindigen. Op dit verzoek heeft de Huurcommissie nog geen eindbeslissing genomen. Bij “tussenbeschikking” van 10 april 2026 heeft de Huurcommissie de behandeling van het verzoek aangehouden en CLW opgedragen uiterlijk op 1 juni 2026 te berichten of [appellant] de bestaande huurachterstand had voldaan. Daaruit volgt dat de procedure bij de Huurcommissie nog aanhangig is en dat de Huurcommissie nog niet definitief heeft beslist over het verzoek tot beëindiging van de huurovereenkomst.
Nu de Huurcommissie nog geen eindbeschikking heeft gegeven over het verzoek tot beëindiging van de huurovereenkomst, is geen sprake van een voor beroep vatbare beslissing. Het door [appellant] ingestelde beroep is daarom prematuur, zodat hij daarin niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
Het Gerecht ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling nu geen sprake is geweest van een inhoudelijke behandeling. Daarbij komt ook nog eens dat de Huurcommissie foutief onderaan de beschikking heeft vermeld dat wél hoger beroep openstond zodat het [appellant] niet kwalijk kan worden genomen dat hij dat heeft gedaan.
5 DE BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep,
bepaalt dat partijen de proceskosten voor eigen rekening houden.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.