Uitspraak · Civiel recht
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 27 mei 2026
ECLI:NL:OGEAA:2026:171Zaaknummer AUA202500500
- Instantie
- Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Datum uitspraak
- 27 mei 2026
- Publicatiedatum
- 8 juli 2026
- Zaaknummer
- AUA202500500
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Civiel, testament, ouderlijke boedelverdeling, verdeling van de nalatenschap, artikel 3:300 BWA, verkoopopbrengst, “gift”, het oude erfrecht, het nieuwe erfrecht, overgangsregeling.
5 DE UITSPRAAK
Het Gerecht:
stelt (de wijze van) verdeling van de nalatenschap van [moeder naam] als volgt vast:
a. aan [gedaagde] wordt toegedeeld een geldbedrag van Afl. 213.486,82, welk bedrag zal worden verrekend met haar inbrengverplichting van hetzelfde bedrag in verband met de gift die zij op 27 maart 2019 heeft ontvangen;
b. aan [eiser 1] en [eiser 2] wordt (ieder voor gelijke delen) toegedeeld: de verkoopopbrengst van de woning te [adres 2], verminderd met de kosten die zijn verbonden aan de verkoop en levering en de eventuele belastingschulden;
veroordeelt [gedaagde] om binnen 3 werkdagen na het eerste verzoek van [eiser 1] en [eiser 2] mee te werken aan de verkoop en levering van de woning te [adres 2] door (onder andere) het ondertekenen van een bemiddelingsovereenkomst, een schriftelijke koopovereenkomst en de notariële akte van levering;
bepaalt dat, als [gedaagde] niet (tijdig) voldoet aan het bepaalde in 5.2, dit vonnis in de plaats treedt van de benodigde medewerking van [gedaagde] aan de verkoop en levering van de woning te [adres 2], een en ander zoals bedoeld in artikel 3:300 lid 2 BWA;
compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Brandt, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 27 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Vonnis van 27 mei 2026
Behorend bij AUA202500500 AR
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
1 [Eiser 1] te Aruba,
2. [Eiser 2] te Aruba,
eisers, hierna te noemen [eiser 1] en [eiser 2],
gemachtigde: de advocaat mr. R.J. Kock,
tegen:
[Gedaagde],
te [landnaam] ([adres 1], [woonplaats]),
gedaagde, hierna te noemen [gedaagde],
procederend in persoon.
1 DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties, ingediend op 20 februari 2025;
- de conclusie van antwoord van 5 december 2025;
- de rolbeschikking van 11 februari 2026, waarin een comparitie van partijen is bepaald;
- de comparitie van partijen op 4 mei 2026, waarbij aanwezig waren [eiser 1] en [eiser 2], bijgestaan door hun advocaat, en waarbij [gedaagde] niet is verschenen.
Daarna is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.
2 DE VASTSTAANDE FEITEN
Partijen zijn de kinderen van [vader naam] (hierna: vader), die is overleden op 23 maart 2025, en [moeder naam] (hierna: moeder), die is overleden op 22 november 2022.
Vader had in zijn testament een zogenoemde ouderlijke boedelverdeling opgenomen. Daarmee heeft hij zijn hele nalatenschap aan moeder achtergelaten. Moeder heeft in haar testament haar drie kinderen (partijen dus) tot erfgenamen benoemd, ieder voor 1/3e deel.
Op 27 maart 2019 is vanaf de bankrekening van moeder een bedrag van Afl. 213.486,82 overgeschreven naar de bankrekening van [gedaagde].
Ten tijde van haar overlijden bezat moeder een perceel erfpachtgrond met huis te [adres 2] (hierna: de woning).
Partijen zijn het niet eens geworden over de verdeling van de nalatenschap van moeder.
3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
Eiser 1] en [eiser 2] vorderen – samengevat – dat het Gerecht
i. de omvang van de nalatenschap van moeder vaststelt;
ii. de (wijze van) verdeling van de nalatenschap vaststelt;
iii. [Gedaagde] veroordeelt mee te werken aan de verdeling;
iv. eisers machtigt om de woning te verkopen en leveren aan een derde, dan wel bepaalt dat dit vonnis op de voet van artikel 3:300 BWA in de plaats komt van de medewerking van [gedaagde] aan de verkoop en levering van de woning;
v. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
Gedaagde] voert verweer. Zij heeft laten weten dat zij geen bezwaar heeft tegen de verkoop en levering van de woning, zolang de verkoopopbrengst “eerlijk” wordt verdeeld.
Het Gerecht zal hierna ingaan op de standpunten van partijen, voor zover die van belang zijn voor de beoordeling van de vordering.
4 DE BEOORDELING
Partijen zijn het erover eens dat de nalatenschap van moeder moet worden verdeeld en dat de woning moet worden verkocht. Zij zijn het echter niet eens over de financiële afwikkeling.
Eiser 1] en [eiser 2] stellen daarover het volgende. Op 27 maart 2019 is er vanaf de bankrekening van moeder een bedrag van Afl. 213.486,82 overgemaakt naar de bankrekening van [gedaagde]. Moeder was daar weliswaar niet van op de hoogte (tijdens de zitting hebben zij verteld dat moeder heel boos is geworden op [gedaagde] nadat zij erachter kwam dat haar hele banksaldo was verdwenen), maar juridisch moet deze transactie volgens [eiser 1] en [eiser 2] worden aangemerkt als een “gift”. Die gift moet worden ingebracht in de nalatenschap. Omdat [gedaagde] heeft laten weten dat zij niets zal terugbetalen, hebben [eiser 1] en [eiser 2] gevorderd dat het Gerecht zal beslissen dat de nalatenschap zodanig wordt verdeeld, dat de verkoopopbrengst van de woning aan hen wordt uitgekeerd en [gedaagde] de gift behoudt.
Gedaagde] heeft geen duidelijk verweer gevoerd, anders dan dat zij vindt dat de nalatenschap “eerlijk” moet worden verdeeld. [Gedaagde] heeft ook geen gebruik gemaakt van de gelegenheid haar standpunt tijdens de zitting duidelijk te maken. Het Gerecht gaat er vanuit dat [gedaagde] wil dat zij – naast het geldbedrag dat zij in 2019 heeft ontvangen – 1/3e deel van de verkoopopbrengst van de woning ontvangt.
Omdat de activa van de nalatenschap groter zijn dan de eventuele passiva ([eiser 1] en [eiser 2] hebben gesteld dat er wellicht nog een paar onbetaalde belastingaanslagen zijn, maar die zullen niet hoger zijn dan de omvang van de activa), kan de nalatenschap worden verdeeld. Het Gerecht zal dus beoordelen hoe die verdeling moet plaatsvinden.
Het Gerecht stelt voorop dat de overboeking van het geldbedrag van de rekening van moeder naar de rekening van [gedaagde] heeft plaatsgevonden in 2019. Op dat moment gold het oude erfrecht. Het oude erfrecht bepaalde dat een gift moest worden ingebracht in de nalatenschap, tenzij de erflater anders bepaalde. In september 2021 is het nieuwe erfrecht in werking getreden. In de overgangsregeling is bepaald dat voor “oude” giften de “oude” regeling over inbreng geldt, tenzij erflater anders heeft beslist. Uit niets is gebleken dat moeder heeft laten weten dat [gedaagde] de gift niet hoeft in te brengen. Dit betekent dat [gedaagde] de gift van Afl. 213.486,82 moet inbrengen in de nalatenschap.
Eiser 1] en [eiser 2] hebben gesteld dat de woning Afl. 415.000,- waard is. Om deze stelling te onderbouwen hebben zij verwezen naar een taxatierapport van Arkro Engeneering. [Gedaagde] heeft de getaxeerde waarde niet bestreden. [Eiser 1] en [eiser 2] hebben voorgesteld om voor de verdeling uit te gaan van de taxatiewaarde, waartegen [gedaagde] zich evenmin heeft verzet. Het Gerecht zal de woning dus tegen deze waarde (die tussen partijen vaststaat) in de verdeling betrekken.
Dit betekent dat de nalatenschap een omvang heeft van (Afl. 415.000,- + Afl. 213.486,82 =) Afl. 628.486,82, verminderd met de eventuele belastingschulden. Dit betekent dat ieder van partijen recht heeft op Afl. 209.495,60, verminderd met 1/3e deel van de eventuele belastingschulden. Het aandeel van [gedaagde] in de nalatenschap kan worden verrekend met de gift die zij al heeft ontvangen, waarna zij nog een bedrag van (Afl. 213.486,82 -/- Afl. 209.495,60 =) Afl. 3.991,22, vermeerderd met 1/3e deel van de belastingschulden, aan de boedel moet betalen. Bij die stand van zaken is het voorstel van [eiser 1] en [eiser 2] dat zij de verkoopopbrengst van de woning samen delen, in het voordeel van [gedaagde]. In dat geval hoeft [gedaagde] immers niets aan de nalatenschap te betalen. De vordering van [eiser 1] en [eiser 2] zal daarom in zoverre worden toegewezen. Dit betekent dat [gedaagde] geen geld meer uit de nalatenschap ontvangt, en dat [eiser 1] en [eiser 2] de verkoopopbrengst (na aftrek van de eventuele belastingschulden) delen.
Gedaagde] heeft laten weten dat zij er geen bezwaar tegen heeft dat de woning wordt verkocht en geleverd en dat zij daaraan zal meewerken. Om die reden ziet het Gerecht geen aanleiding om [eiser 1] en [eiser 2] te machtigen om de woning (zonder tussenkomst van [gedaagde]) te verkopen en te leveren. Om te voorkomen dat de verkoop en levering vertraging oplopen, als [gedaagde] onverhoopt toch niet meewerkt, zal het Gerecht bepalen dat dit vonnis zo nodig in de plaats treedt van de benodigde medewerking van [gedaagde] aan de verkoop en levering van de woning.
Omdat partijen familie van elkaar zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat ieder de eigen kosten betaalt.
5 DE UITSPRAAK
Het Gerecht:
stelt (de wijze van) verdeling van de nalatenschap van [moeder naam] als volgt vast:
a. aan [gedaagde] wordt toegedeeld een geldbedrag van Afl. 213.486,82, welk bedrag zal worden verrekend met haar inbrengverplichting van hetzelfde bedrag in verband met de gift die zij op 27 maart 2019 heeft ontvangen;
b. aan [eiser 1] en [eiser 2] wordt (ieder voor gelijke delen) toegedeeld: de verkoopopbrengst van de woning te [adres 2], verminderd met de kosten die zijn verbonden aan de verkoop en levering en de eventuele belastingschulden;
veroordeelt [gedaagde] om binnen 3 werkdagen na het eerste verzoek van [eiser 1] en [eiser 2] mee te werken aan de verkoop en levering van de woning te [adres 2] door (onder andere) het ondertekenen van een bemiddelingsovereenkomst, een schriftelijke koopovereenkomst en de notariële akte van levering;
bepaalt dat, als [gedaagde] niet (tijdig) voldoet aan het bepaalde in 5.2, dit vonnis in de plaats treedt van de benodigde medewerking van [gedaagde] aan de verkoop en levering van de woning te [adres 2], een en ander zoals bedoeld in artikel 3:300 lid 2 BWA;
compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Brandt, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 27 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.