Uitspraak · Civiel recht
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 14 november 2018
ECLI:NL:OGEAA:2018:710Zaaknummer A.R.1513 van 2017; AUA201701558
- Instantie
- Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Datum uitspraak
- 14 november 2018
- Publicatiedatum
- 3 december 2018
- Zaaknummer
- A.R.1513 van 2017; AUA201701558
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Commissariaatvergoeding; niet voldaan aan hetgeen in r.o. 4.5 van het tussenvonnis van 30 mei 2018 is overwogen; verwijzen voor conclusie van repliek.
3 DE BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
verwijst de zaak naar de rol van woensdag 12 december 2018 voor conclusie van repliek aan de zijde van [eiser]
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M. Vanwersch, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 14 november 2018 in aanwezigheid van de griffier.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Vonnis van 14 november 2018
Behorend bij A.R.1513 van 2017/ AUA201701558
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
[EISER]
wonende te Aruba,
eiser, hierna ook te noemen: [eiser],
gemachtigde: de advocaat mr. M.H.J. Kock,
tegen:
de naamloze vennootschap
BANCO DI CARIBE (Aruba) N.V. ,
gevestigd te Aruba,
gedaagde, hierna ook te noemen: BdCA,
gemachtigde: de advocaat mr. M. Bemer.
1 DE VERDERE PROCEDURE
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 30 mei 2018;
- de akte aan de zijde van BdCA;
- de contra-akte aan de zijde van [eiser];
- de akte uitlating producties aan de zijde van BdCA.
De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.
2 DE VERDERE BEOORDELING
Bij tussenvonnis is BdCA in de gelegenheid gesteld een akte te nemen om haar stelling te onderbouwen dat alle commissarissen bij BdCA met een vergelijkbaar werkpakket als dat van [eiser], dezelfde vergoeding hebben ontvangen als [eiser].
BdCA heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en een verklaring van 22 juni 2018, ondertekend door [CEO en general manager], CEO en General Manager respectievelijk P. Virginia, Managing Director, overgelegd. Hierin is te lezen dat zowel BdC als BdCA in de periode 2013 tot 2018 drie commissarissen hadden, te weten [commissaris 1] en [eiser] met een vergelijkbaar werkpakket en de voorzitter, met een ander takenpakket. Tevens volgt uit deze verklaring dat [commissaris 1] en [eiser] een zelfde vergoeding van ca. AWG 45.000,00 per jaar hebben ontvangen voor hun werkzaamheden.
Voorts heeft BdCA een notitie overgelegd afkomstig van ‘Internal Audit Department van BdC van 22 juni 2018. Hierin is te lezen dat de CEO van BdCA op 20 juni 2018 heeft verzocht om een opgave van de aan [eiser] en [commissaris 1] uitgekeerde commissariaatvergoedingen in de periode 2013 tot 2017. Uit de notitie volgt voorts dat het Internal Audit Department geen gedocumenteerde informatie heeft ontvangen over de hoogte van de afgesproken vergoeding. Wel kon op basis van e-mailcorrespondentie worden afgeleid dat er overeenstemming bestond over een bedrag van USD 25.000, zijnde om en nabij AWG 45.000,00. Uit onderzoek heeft dit departement voorts afgeleid dat gedurende de jaren 2013 tot 2016 zowel [commissaris 1] als [eiser] een netto bedrag van ongeveer AWG 45.000,00 per jaar hebben ontvangen, dat [eiser] per 1 april 2016 is afgetreden als commissaris van BdC maar het hele jaar betaald heeft gekregen, dat [eiser] per 1 juli 2017 is afgetreden als commissaris van BdCA en dat in 2017 nog geen betaling heeft plaats gevonden.
eiser] heeft eveneens een akte genomen, waarin hij stelt dat de door BdCA overgelegde stukken niet voldoen aan hetgeen in r.o. 4.5 van het tussenvonnis van 30 mei 2018 is overwogen. Verzocht was om een overzicht van de vergoedingen van alle commissarissen en niet alleen van [commissaris 1] en [eiser]. Om deze reden dient de overgelegde notitie van Internal Audit Department - aldus [eiser] - buiten beschouwing te blijven. Daarnaast stelt [eiser] dat hij onvoldoende in staat is geweest om te reageren op de conclusie van antwoord en verzoekt hij om alsnog te mogen repliceren.
Het gerecht zal om proceseconomische redenen de zaak naar de rol voor conclusie van repliek verwijzen. Het komt het gerecht geraden voor dat [eiser] van deze gelegenheid gebruik maakt om zijn stelling dat andere commissarissen AWG 60.000 per jaar ontvingen en dat dit bedrag slechts betrekking had op één commissariaat, met verifieerbare stukken te onderbouwen.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3 DE BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
verwijst de zaak naar de rol van woensdag 12 december 2018 voor conclusie van repliek aan de zijde van [eiser]
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M. Vanwersch, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 14 november 2018 in aanwezigheid van de griffier.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.