Uitspraak · Civiel recht
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 11 april 2018
ECLI:NL:OGEAA:2018:209Zaaknummer B.B. 2844 van 2017 / AUA201703562
- Instantie
- Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Datum uitspraak
- 11 april 2018
- Publicatiedatum
- 18 april 2018
- Zaaknummer
- B.B. 2844 van 2017 / AUA201703562
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
civiel, huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, huurachterstand, verrekening van de borg, regeling.
5 DE UITSPRAAK
het gerecht:
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van Afl. 2.500,-, althans dat bedrag verminderd met de eventuele nadien afgeloste bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 november 2017 tot de dag waarop volledig zal zijn betaald;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van Afl. 232,88 wegens buitengerechtelijke incassokosten;
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van [eiser] worden begroot op Afl. 50,- aan griffierecht;
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
staat [gedaagde] toe het totaal aan [eiser] verschuldigde te voldoen in maandelijkse termijnen van Afl. 200,- vanaf 30 april 2018, te voldoen via rekeningnummer xxxxxxxxx ten name van [eiser] en/of [eiser], onder de bepaling dat deze regeling vervalt en het restant direct volledig opeisbaar is, indien [gedaagde] met betaling van één of meer termijnen in gebreke blijft;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 11 april 2018 in aanwezigheid van de griffier.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Vonnis van 11april 2018
Behorend bij B.B. 2844 van 2017 / AUA201703562
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
Eiser,
te Aruba,
hierna te noemen: [eiser],
procederend in persoon,
tegen:
Gedaagde,
te Aruba,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1 DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift;
- de rolbeschikking van 28 februari 2018;
- de akte zijdens [eiser] van 28 februari 2018;
- de aantekeningen van de griffier ter gelegenheid van de comparitie van partijen op 29 maart 2018.
De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.
2 DE VASTSTAANDE FEITEN
Op 7 januari 2016 hebben [eiser] en [gedaagde] een huurovereenkomst gesloten. Daarbij zijn partijen overeengekomen dat [gedaagde] de woning gelegen aan de [adres] van [eiser] huurt, voor een bedrag van Afl. 750,- per maand. Volgens die overeenkomst is [gedaagde] [eiser] een bedrag van Afl. 750,- verschuldigd als borg.
Gedurende de maanden juni, juli, augustus en september 2017 heeft [gedaagde] de huur niet betaald.
Op 29 september 2017 heeft [gedaagde] de woning verlaten. Op 30 september 2017 heeft zij de sleutels bij [eiser] ingeleverd.
Bij beschikking van 9 oktober 2017 heeft de Huurcommissie [eiser], in verband met huurachterstand, toestemming verleend om de huurovereenkomst op te zeggen.
Bij exploot van 2 november 2017 is [gedaagde] op verzoek van [eiser] gesommeerd om binnen zeven dagen aan hem een bedrag van Afl. 4.095,13 te betalen en haar daarbij de verschuldigdheid van wettelijke rente bij het in verzuim raken aangezegd.
3 DE VORDERING EN HET VERWEER
eiser] vordert – uitvoerbaar bij voorraad – [gedaagde] te bevelen tot betaling van Afl. 3.250,-, vermeerderd met rente en kosten.
Aan deze vordering legt [eiser] ten grondslag dat [gedaagde] niet aan de voor haar uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichting tot betaling van huur heeft voldaan en dat zo een huurachterstand van Afl. 3.250,- is ontstaan.
gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, zoals hierna in de desbetreffende overwegingen van de beoordeling weergegeven.
4 DE BEOORDELING
gedaagde] heeft erkend dat zij de huur gedurende de maanden juni, juli, augustus en september 2017 niet heeft betaald. Ter comparitie heeft zij betwist dat zij een deel van de huur voor de maand mei 2017 verschuldigd is, zoals door [eiser] is gesteld. Gezien de door [eiser] overgelegde kwitantie van 24 mei 2017 voor de ontvangst van Afl. 500,- van [gedaagde] voor de huur van de maand mei 2017 en in aanmerking genomen dat [gedaagde] geen kwitantie voor de ontvangst door [eiser] van een bedrag van Afl. 250,- heeft overgelegd, heeft [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij de huur van mei 2017 niet volledig heeft betaald. Dat betekent dat vast staat dat de huurachterstand totdat de huurovereenkomst ten einde is gekomen Afl. 3.250,- bedraagt (mei 2017 Afl. 250,-, juni, juli, augustus en september 2017 Afl. 750,- per maand).
gedaagde] heeft zich verder beroepen op verrekening met de door haar betaalde borg.
[eiser] heeft erkend dat [gedaagde] hem een borg van Afl. 750,- heeft betaald, welke hij haar niet heeft terugbetaald. Volgens [eiser] is hij daartoe echter niet gehouden. In dit verband stelt hij dat hij, omdat [gedaagde] niet heeft voldaan aan de voor haar uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen om het huis in goede staat achter te laten, schade heeft geleden voor een bedrag van minimaal Afl. 750,-. Ter zitting heeft [eiser] evenwel te kennen gegeven dat hij [gedaagde] ter zake niet eerst in gebreke heeft gesteld, maar direct herstelwerkzaamheden aan het huis heeft (laten) uitvoeren. Gelet hierop, is [gedaagde] niet verplicht de schade die [eiser] heeft gesteld te hebben geleden te vergoeden (artikel 6:74, lid 2, BW). [gedaagde] heeft daarom recht op verrekening van de borg met de openstaande huur. Dat betekent dat [gedaagde] aan [eiser] een bedrag van Afl. 3.250,- – Afl. 750,- = Afl. 2.500,- verschuldigd is.
Ter zitting zijn partijen een betalingsregeling van Afl. 200,- per maand overeengekomen. Deze betalingsregeling zal op na te melden wijze in het vonnis worden opgenomen.
De door [eiser] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen op na te melden wijze worden toegewezen.
gedaagde] zal worden veroordeeld in de proceskosten.
5 DE UITSPRAAK
het gerecht:
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van Afl. 2.500,-, althans dat bedrag verminderd met de eventuele nadien afgeloste bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 november 2017 tot de dag waarop volledig zal zijn betaald;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van Afl. 232,88 wegens buitengerechtelijke incassokosten;
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van [eiser] worden begroot op Afl. 50,- aan griffierecht;
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
staat [gedaagde] toe het totaal aan [eiser] verschuldigde te voldoen in maandelijkse termijnen van Afl. 200,- vanaf 30 april 2018, te voldoen via rekeningnummer xxxxxxxxx ten name van [eiser] en/of [eiser], onder de bepaling dat deze regeling vervalt en het restant direct volledig opeisbaar is, indien [gedaagde] met betaling van één of meer termijnen in gebreke blijft;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 11 april 2018 in aanwezigheid van de griffier.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.