Uitspraak · Ambtenarenrecht
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 22 juli 2026
ECLI:NL:OGAACMB:2026:55Zaaknummer AUA202500448
- Instantie
- Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Publicatiedatum
- 24 augustus 2026
- Zaaknummer
- AUA202500448
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Ambtenarenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verzoek incorporeren schaarstetoelage in pensioengegevende bezoldiging - bezwaar gegrond
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het bezwaar gegrond;
- vernietigt de afwijzende beschikking van verweerder van 23 januari 2025.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield rechter in ambtenarenzaken, bijgestaan door M.R. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:
- na de dag van de uitspraak, als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest;
- na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, in de andere gevallen.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Uitspraak van 22 juli 2026
Gaza nr. AUA202500448
GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het bezwaar als bedoeld in de
Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:
[Klaagster],
wonend in Aruba,
KLAAGSTER,
procederend in persoon,
gericht tegen:
DE MINISTER, BELAST MET FINANCIËN,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigden: mr. H.F. Falconi, advocaat te Aruba, en mr. C.L. Geerman (DWJZ).
INLEIDING
Bij brief van 9 juli 2024 heeft klaagster aan de Gouverneur verzocht om de haar toegekende schaarstoelage van 20% met ingang van 1 januari 2011, evenals de verhoging van die toelage tot 25%, deel te laten uitmaken van haar bezoldiging, zodat deze toelagen meetellen voor de berekening van haar pensioengrondslag.
Bij beschikking van 23 januari 2025 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.
Hiertegen heeft klaagster op 17 februari 2025 bezwaar gemaakt.
Op 16 april 2025 heeft verweerder een contra-memorie ingediend.
Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 9 juni 2025, waar klaagster is verschenen in persoon en verweerder bij mr. Falconi, voornoemd. De behandeling ter zitting is voortgezet op 18 augustus 2025, waar klaagster is verschenen in persoon, en verweerder bij zijn gemachtigden, voornoemd.
Hierna is uitspraak nader bepaald op heden.
OVERWEGINGEN
Wat is relevant om te weten?
Klaagster is sinds 1 februari 1997 werkzaam als ambtenaar bij de Directie Financiën. Sedert haar aanstelling ontvangt zij een zogeheten schaarstetoelage. Die toelage bedraagt sedert 1 december 2000 20% van haar bezoldiging en sedert 1 januari 2024 25%. Deze schaarstetoelage maakte geen deel uit van de bezoldiging die de grondslag vormt voor de opbouw van klaagsters aanspraak op ambtenarenpensioen, ondergebracht bij de Stichting Algemeen Pensioenfonds Aruba (APFA). Daar is in die zin verandering in gekomen, dat vanaf 1 januari 2024, de aan klaagster toegekende schaarsetoelage van 25% wel meetelt bij de bepaling van haar pensioengrondslag. Dit is geregeld in het Landsbesluit, houdende algemene maatregelen, van 23 september 2024 tot wijziging van het Landsbesluit bijzondere ambtelijke pensioengrondslag (herziening pensioengrondslag kaderpersoneel) (AB 2024 no. 37).
Klaagster is van mening dat ook de aan haar toegekende schaarsetoelage van 20% vanaf 1 januari 2011 mee dient te tellen voor de bepaling van haar pensioengrondslag. Met het oog hierop heeft zij zich bij brief van 9 juli 2024 tot de Gouverneur gewend.
Bij de bestreden beschikking heeft verweerder op deze brief in voor klaagster negatieve zin geantwoord.
Waarom is klaagster het niet eens met de bestreden beschikking?
3. Klaagster heeft in de eerste plaats aangevoerd dat niet verweerder, maar de Gouverneur bevoegd is om op haar verzoek, vervat in haar brief van 9 juli 2024 te beslissen. Haar verzoek was gericht tot de Gouverneur, en deze is ook het bevoegde bestuursorgaan om te beslissen omtrent de vaststelling van haar bezoldiging.
Deze grond van klaagsters bezwaar slaagt. Mede gelet op de door klaagster gegeven toelichting op haar verzoek aan de Gouverneur, heeft zij daarmee bedoeld de Gouverneur te bewegen de aan haar toegekende bezoldiging met terugwerkende kracht tot 1 januari 2011 te herzien, in die zin dat de aan haar toegekende schaarsetoelage integraal deel uitmaakt van haar bezoldiging, zodat deze volledig meetelt als grondslag voor haar pensioen. Nu de vaststelling van klaagsters bezoldiging op grond van artikel 11 in samenhang met artikel 4 van de Lma door de Gouverneur als bevoegd gezag dient plaats te vinden, was deze, en niet verweerder bevoegd op klaagsters verzoek te beslissen.
Dit betekent dat het bezwaar gegrond is en de bestreden beschikking moet worden vernietigd.
Ter zitting van 18 augustus 2025 hebben de gemachtigden van verweerder te kennen gegeven dat de Gouverneur de beschikking van verweerder voor zijn rekening neemt. Gelet hierop ziet het Gerecht aanleiding om te onderzoeken of er aanleiding bestaat de nietigheid van de bestreden beschikking met toepassing van artikel 87 van de La voor gedekt te verklaren. In dat verband zal het gerecht de door klaagster tegen de bestreden beschikking nader aangevoerde gronden bespreken.
4. Het bezwaar van klaagster komt erop neer dat zij vindt dat het Landsbesluit, houdende algemene maatregelen, van 23 september 2024 tot wijziging van het Landsbesluit bijzondere ambtelijke pensioengrondslag (herziening pensioengrondslag kaderpersoneel) ten onrechte niet terugwerkt tot 1 januari 2011. Naar haar mening is dit in strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu ten aanzien van diensthoofden en directeuren die worden bezoldigd volgens hoofdschaal 16 en die een zogeheten diensthoofden- en directeurentoelage van 25% procent ontvangen, bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen van 30 oktober november 2023, is bepaald dat die toelage wel met terugwerkende kracht tot 1 januari 2011 meetelt voor de berekening van de pensioengrondslag.[_9a8eb8b5-93ab-460b-a6f1-916f70b31168] Dit betekent, zo begrijpt het gerecht het betoog van klaagster, dat de Gouverneur het Landsbesluit, houdende algemene maatregelen, van 23 september 2024, buiten toepassing moet laten, voor zover de terugwerkende kracht ervan zich niet uitstrekt tot 1 januari 2011, en haar bezoldiging zodanig dient vast te stellen dat vanaf die datum de aan haar toegekende schaarstetoelage deel uitmaakt van de voor haar pensioenopbouw geldende bezoldiging.
Het gerecht stelt voorop dat het gelijkheidsbeginsel kan meebrengen dat daarmee in strijd zijnde wettelijke bepalingen buiten toepassing moeten worden gelaten, dan wel zodanig dienen te worden toegepast dat een geconstateerde strijd met dat beginsel wordt opgeheven. In dit geval moet worden vastgesteld dat de regelgever er in 2023 voor heeft gekozen om de toelage van 25%, toekomende aan diensthoofden en directeuren die volgens schaal 16 worden bezoldigd, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2011 mee te laten tellen voor de bepaling van de pensioengrondslag.[_9b87d09d-63a3-4be3-82df-d33daf8bb8bf] Het gerecht stelt vast dat zowel de schaarstetoelage als de diensthoofden- en directeurentoelage een permanent karakter dragen en een vast bestanddeel van de bezoldiging vormen van degenen die deze ontvangen. Uit de considerans van het landsbesluit, houdende algemene maatregelen, van 23 september 2024 blijkt voorts dat “binnen afzienbare tijd een integrale herziening van de Bezoldigingsregeling Aruba 1986 zal plaatsvinden in het kader van thema B van het Landspakket Aruba (Kosten en effectiviteit publieke sector), waarbij de bezoldigingen van het kaderpersoneel zullen worden herzien [en] dat het in verband hiermee wenselijk is de pensioengrondslag van de diensthoofden die lager dan hoofdschaal 16 van de Bezoldigingsregeling Aruba 1986 worden bezoldigd, en die van het kaderpersoneel te verbeteren.” Met dit alles laat zich bezwaarlijk rijmen dat de pensioengrondslag van diensthoofden die volgens schaal 16 worden bezoldigd met terugwerkende kracht tot 1 januari 2011 wordt aangepast en die van degenen die onder de werking van het landsbesluit, houdende algemene maatregelen, van 23 september 2024 slechts met terugwerkende kracht tot 1 januari 2024. Voor een dergelijk groot verschil in behandeling dienen voldoende, naar objectieve maatstaven gerechtvaardigde, gronden te bestaan. In de aard van de toelagen en het verschil in bezoldiging tussen beide groepen van ambtenaren ziet het gerecht, anders dan verweerder, onvoldoende overtuigende gronden voor dit verschil in terugwerkende kracht. Ook de door verweerder genoemde omstandigheid dat de door klaagster gewenste toekenning van terugwerkende kracht, in verband met de financiële gevolgen voor het Land, onwenselijk is, kan naar het oordeel van het gerecht niet rechtvaardigen de gevolgen daarvan op de betrokken groep van ambtenaren af te wentelen. De conclusie op grond van het vorenstaande is dan ook dat er onvoldoende gronden bestaan om de nietigheid van het bestreden besluit voor gedekt te verklaren.
Wat betekent dit oordeel voor klaagster?
5. Dit alles betekent dat de Gouverneur alsnog op het verzoek van klaagster van 9 juli 2024 moet beslissen. Dat wil nog niet zeggen dat klaagster zonder meer dient te krijgen waarom zij heeft verzocht. Aan de door de Gouverneur te verrichten besluitvorming zitten allerlei haken en ogen, bijvoorbeeld wat de consequenties betreft voor de premieafdracht indien de pensioenopbouw met terugwerkende kracht wordt herzien. Het gerecht overziet al die gevolgen niet. Waar het om gaat, is dat de Gouverneur een besluit neemt, waarmee de hiervoor geconstateerde ongelijkheid wordt weggenomen. Het is in de eerste plaats aan hem om te bepalen op welke wijze dit gebeurt.
6. Nu de Gouverneur formeel gezien geen partij is in dit geding – het bestreden besluit is immers genomen door verweerder – kan het gerecht de Gouverneur ook geen opdracht geven om alsnog op klaagsters verzoek van 9 juli 2024 te beslissen. Klaagster mag er evenwel van uitgaan dat, indien de Gouverneur niet binnen drie maanden na dagtekening van deze uitspraak op haar verzoek heeft beschikt, een zogenaamde fictieve weigering tot stand is gekomen als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van de La. Zij kan daartegen alsdan binnen dertig dagen bezwaar maken bij het gerecht
7. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het bezwaar gegrond;
- vernietigt de afwijzende beschikking van verweerder van 23 januari 2025.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield rechter in ambtenarenzaken, bijgestaan door M.R. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:
- na de dag van de uitspraak, als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest;
- na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, in de andere gevallen.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.