Uitspraak · Ambtenarenrecht
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 22 juli 2026
ECLI:NL:OGAACMB:2026:52Zaaknummer AUA202404122
- Instantie
- Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Publicatiedatum
- 24 augustus 2026
- Zaaknummer
- AUA202404122
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Ambtenarenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Terugvordering inkomen_artikel 31, lid 4, lvvda_bezwaar gegrond
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het bezwaar gegrond,
- vernietigt het bestreden landsbesluit,
- veroordeelt verweerder tot betaling van de door klager gemaakte proceskosten, die worden begroot op Afl. 1.400,- aan gemachtigdensalaris.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, ambtenarenrechter, bijgestaan door mr. A. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:
- als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak;
- in de andere gevallen: binnen 30 dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Uitspraak van 22 juli 2026
Gaza nr. AUA202404122
HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het bezwaar in de zin van de
Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:
[Klager],
wonend in Aruba,
KLAGER,
gemachtigde: de advocaat mr. R.P. Lee,
gericht tegen:
DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. Y.F.M. Kaarsbaan (DWJZ).
INLEIDING
Bij landsbesluit van 5 november 2024, no. 13, (bestreden landsbesluit) heeft verweerder besloten om het inkomen van klager met ingang van 15 januari 2020 aan te passen naar reden van 90% van het vol inkomen, het inkomen van klager over de periode van 15 januari 2020 tot 13 juni 2020, 13 juni 2020 tot en met 30 september 2020, en 15 januari 2021 tot 1 maart 2021 terug te vorderen en het inkomen van klager van 15 januari 2021 aan te passen naar reden van 80% van het vol inkomen.
In deze uitspraak beoordeelt het gerecht het bezwaar van klager gericht tegen voornoemd landsbesluit.
Klager heeft op 20 november 2024 een bezwaar bij het gerecht ingediend.
Op 9 januari 2025 heeft verweerder stukken bij het gerecht ingediend.
Verweerder op 7 maart 2025 een contramemorie bij het gerecht ingediend.
Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 5 mei 2025, alwaar zijn verschenen klager, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd, en verweerder bij de gemachtigde voornoemd.
De uitspraak is nader bepaald op heden.
BEOORDELING
2. Het gerecht is van oordeel dat het bezwaar van klager gegrond dient te worden verklaard. Het gerecht legt hierna dit oordeel uit.
Wat is relevant om te weten?
Klager is ambtenaar en werkzaam bij de Directie Economische Zaken, Handel en Industrie (DEZHI).
Klager is sinds 15 januari 2018 onafgebroken arbeidsongeschikt geweest wegens een ziekte.
Bij het bestreden landsbesluit van 5 november 2024, no. 13, heeft verweerder besloten om het inkomen van klager te verlagen met ingang van 15 januari 2020 naar reden van 90% van het vol inkomen. Verder is het inkomen over de periode van 15 januari 2020 tot 13 juni 2020, 13 juni 2020 tot en met 30 september 2020 en 15 januari 2021 tot 1 maart 2021 teruggevorderd. Ook is het inkomen van klager met ingang van 15 januari 2021 verlaagd naar reden van 80% van het vol inkomen. Met het landsbesluit is, zo blijkt uit de overwegingen tevens beoogd het over deze perioden teveel uitbetaalde salaris terug te vorderen. Het nog terug te vorderen bedrag bedraagt, zo blijkt uit de door verweerder overgelegde stukken, Afl. 917,23. Dit is het bedrag dat nog resteert, nadat sedert 13 juni 2020 ter voldoening aan artikel 31, tweede lid, Lvvda over diverse tijdvakken al inhoudingen op het salaris van klager hebben plaatsgevonden.
Waarom kan klager zich niet verenigen met het bestreden landsbesluit?
4. Klager kan zich niet verenigen met het bestreden landsbesluit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen is gemaximeerd tot twee jaar, welke termijn hier is overschreden.
Wat is het geschil?
5. In geschil is de vraag of verweerder op goede gronden heeft besloten het te veel betaalde inkomen over de periode van 15 januari 2020 tot 13 juni 2020, 13 juni 2020 tot en met 30 september 2020 en 15 januari 2021 tot 1 maart 2021 terug te vorderen. Het gerecht overweegt daartoe als volgt.
Wat staat in de wet?
6. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Landsverordening vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren (Lvvda) heeft de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn dienst uit te oefenen, tot herstel van zijn gezondheid aanspraak op vrijstelling van dienst wegens ziekte.
Ingevolge het tweede lid is de duur van een vrijstelling van dienst wegens ziekte, verlenging daarvan inbegrepen, ten hoogste vier jaren voor een ambtenaar in vaste dienst.
Ingevolge het vierde lid heeft de ambtenaar in vaste dienst gedurende een vrijstelling van dienst wegens ziekte aanspraak op een inkomen naar reden van:
a. zijn vol inkomen gedurende de eerste vierentwintig maanden;
b. 90% van zijn vol inkomen gedurende de daaropvolgende twaalf maanden;
c. 80% van zijn vol inkomen gedurende de resterende maanden.
Ingevolge het vijfde lid wordt een opnieuw ingetreden verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte voor het bepalen van de in het tweede en vierde lid genoemde termijnen als een voortzetting van de vorige verhindering beschouwd, tenzij die verhindering zich voordoet, nadat ten minste dertig kalenderdagen zijn verstreken, sedert de ambtenaar zijn dienst volledig heeft hervat.
Mocht verweerder het teveel ontvangen inkomen terugvorderen?
7. Het gerecht stelt voorop dat de in artikel 31, vierde lid, van de Lvvda voortvloeiende vermindering van de te ontvangen bezoldiging rechtstreeks voortvloeit uit de wet. Een vaststelling daarvan bij landsbesluit is daarvoor niet nodig. Door klager is ook geen grond aangevoerd tegen de vaststelling van de vermindering. Het gaat in deze zaak dan ook uitsluitend over de in het bestreden landsbesluit tevens vervatte beslissing tot terugvordering van het teveel betaalde. Klager stelt zich op het standpunt – zo begrijpt het gerecht – dat verweerder in het geheel niet mocht besluiten tot terugvordering, zodat ook de reeds op het salaris ingehouden bedragen aan hem dienen te worden terugbetaald.
Het is vaste jurisprudentie dat een bestuursorgaan op grond van het algemeen rechtsbeginsel dat wat onverschuldigd is betaald kan worden teruggevorderd, bevoegd is tot terugvordering van wat aan een ambtenaar ten onrechte is betaald, tenzij andere algemene rechtsbeginselen zich hiertegen verzetten. In een situatie waarin de ambtenaar wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij te veel ontving, kan een bestuursorgaan in beginsel hetgeen aan betrokkene onverschuldigd is betaald gedurende twee jaren na de dag van uitbetaling terugvorderen. Deze termijn kan tot vijf jaren worden verlengd indien de gemaakte fout door toedoen van betrokkene is ontstaan.
Deze rechtsregel is, anders dan klager kennelijk meent, niet van toepassing op de reeds plaatsgevonden inhoudingen op zijn bezoldiging. Als gevolg van die inhoudingen heeft er immers in zoverre geen onverschuldigde betaling plaatsgevonden. Dit betekent dat uitsluitend de terugvordering van het bedrag van in totaal Afl. 917,23 in deze zaak aan de orde kan worden gesteld. Voor zover klager in dit verband heeft willen betogen dat deze inhoudingen nog niet rechtens onaantastbaar zijn, nu hem er geen verwijt van kan worden gemaakt, dat hij deze (nog) niet in rechte heeft aangevochten, kan hem dit niet baten. Gesteld noch gebleken is immers dat die inhoudingen niet overeenkomstig artikel 31, vierde lid, van de Lvvda hebben plaatsgevonden.
Bij brief van 9 september 2020 heeft DRH aan klager meegedeeld dat zijn inkomen vanaf 13 juni 2020 wordt verlaagd naar 90% en dat het te veel ontvangen inkomen over de periode van 13 juni 2020 tot en met 30 september 2020 zou worden teruggevorderd. Klager was daarmee vanaf dat moment op de hoogte van de voorgenomen terugvordering. Verweerder had daarom in beginsel de bevoegdheid om het te veel betaalde inkomen binnen twee jaar terug te vorderen. Verweerder heeft de terugvordering echter pas bij het bestreden landsbesluit van 2024 vastgesteld. Nu daarmee de termijn van twee jaar was verstreken, was verweerder niet meer bevoegd het onverschuldigd betaalde inkomen terug te vorderen. Dat sprake is van een door klager gemaakte fout is niet gebleken.
Het gerecht is verder van oordeel dat verweerder onbevoegd was het onverschuldigd betaalde inkomen over de perioden van 15 januari 2020 tot 13 juni 2020 en van 15 januari 2021 tot 1 maart 2021 terug te vorderen. Niet is gebleken dat klager hierover tijdig is geïnformeerd. Verweerder heeft dit ook niet met stukken onderbouwd. Verder volgt uit de adviezen van DRH van 27 mei 2021, 21 mei 2024 en 11 juli 2024 dat pas later is vastgesteld dat klager sinds 15 januari 2018 onafgebroken arbeidsongeschikt was. Niet is gebleken dat dit aan klager is meegedeeld. Daarom kan niet worden geoordeeld dat klager wist of had moeten weten dat hij over genoemde perioden te veel inkomen ontving.
De conclusie is dat het bestreden landsbesluit is genomen in strijd met de rechtszekerheid.
8. Het beroep is gegrond. Het bestreden landsbesluit dient te worden vernietigd.
9. Verweerder dient op de na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het bezwaar gegrond,
- vernietigt het bestreden landsbesluit,
- veroordeelt verweerder tot betaling van de door klager gemaakte proceskosten, die worden begroot op Afl. 1.400,- aan gemachtigdensalaris.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, ambtenarenrechter, bijgestaan door mr. A. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:
- als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak;
- in de andere gevallen: binnen 30 dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.