Uitspraak · Ambtenarenrecht

Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 22 juli 2026

ECLI:NL:OGAACMB:2026:51Zaaknummer AUA202302856

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
24 augustus 2026
Zaaknummer
AUA202302856
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Ambtenarenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Waarnemingstoelage_overschrijding redelijke termijn

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het bezwaar ongegrond;

- veroordeelt de minister belast met justitie om aan klaagster een vergoeding van immateriële schade van Afl. 1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn te betalen.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in ambtenarenzaken, bijgestaan door mr. A. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:

  • als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak;
  • in de andere gevallen: binnen 30 dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

  • het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
  • een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
  • vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA
  2. PROCESVERLOOP
  3. OVERWEGINGEN
  4. BESLISSING

Uitspraak van 22 juli 2026

GAZA nr. AUA202302856

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar in de zin van

de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[Klaagster],

wonend te Aruba,

KLAAGSTER,

gemachtigde: mr. R.P. Lee, advocaat te Aruba,

tegen:

DE MINISTER, BELAST MET ECONOMISCHE ZAKEN,

zetelend te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. A.F.J. Caster (DWJZ).

PROCESVERLOOP

1.1

In deze uitspraak beoordeelt het gerecht het bezwaar van klaagster gericht tegen de beschikking van 3 juli 2023 (de bestreden beschikking) waarbij verweerder het verzoek van klaagster om aan haar een waarnemingstoelage toe te kennen over de periode van 5 mei 2021 tot en met 2 juli 2021 voor het waarnemen van de functie van het hoofd van de Afdeling Vestiging en Bedrijven van de Directie Economische Zaken, Handel en Industrie (DEZHI), heeft afgewezen.

1.2

Klaagster heeft op 9 augustus 2023 haar bezwaarschrift ingediend bij het gerecht.

1.3

Verweerder heeft een contra-memorie en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

1.4

Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 29 april 2024. Klaagster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

1.5

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting zijn partijen in de gelegenheid gesteld een nadere schriftelijke reactie te geven. Partijen hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt bij aktes van 17 juni 2024 en 26 augustus 2024.

1.5

De uitspraak is vervolgens bepaald op vandaag.

OVERWEGINGEN

2. Het gerecht is van oordeel dat het bezwaar van klaagster ongegrond dient te worden verklaard en legt dit oordeel hierna uit.

Wat is van belang om te weten?

3.1

Klaagster is sinds 17 september 2012 als ambtenaar bij DEZHI. Zij bekleedt daar de functie van adviesmedewerker van de Afdeling Vestiging en Bedrijven.

3.2

Op 24 juni 2022 heeft klager het onderhavige verzoek om toekenning van een waarnemingstoelage ingediend. Op 6 december 2023 heeft de directeur van DEZHI hieromtrent negatief geadviseerd. Op 27 juni 2023 heeft ook het Departamento Recurso Humano (DRH) een negatief advies afgegeven. Overeenkomstig deze adviezen heeft verweerder bij de bestreden beschikking afwijzend op het verzoek beslist.

Het wettelijk kader

3. Artikel 26, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht, voor zover hier van belang, luidt als volgt.

1. Indien een wettelijke regeling continuïteit in de vervulling van een ambt veronderstelt en tot dat ambt niet meer ambtenaren zijn aangesteld, die het geheel of gedeeltelijk kunnen waarnemen, dan wel indien het belang van de dienst dit vordert wordt de daartoe in aanmerking komende ambtenaar door het bevoegde gezag met de tijdelijke waarneming van dat ambt belast, al dan niet met ontheffing uit zijn eigenlijke betrekking.

2. De ambtenaar die overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid is belast met de tijdelijke waarneming van een ambt, dat in belangrijkheid en verantwoordelijkheid aanmerkelijk uitgaat boven het eigenlijke ambt van de ambtenaar, heeft over de tijd der waarneming aanspraak op toekenning door de betrokken minister van een toelage boven zijn eigen bezoldiging, ten bedrage van het verschil tussen de bezoldiging, welke hij zou genieten, ware hij definitief benoemd in het ambt dat hij waarneemt, en zijn eigen bezoldiging, met inachtneming van de bepalingen betreffende persoonlijke toelage(n) indien de waarneming:

a. 30 dagen of langer onafgebroken heeft geduurd;

b. in een tijdvak van zes maanden in totaal gedurende 30 dagen of langer heeft geduurd; c. in een tijdvak van twaalf maanden in totaal 60 dagen of langer heeft geduurd.

De inhoud van de bestreden beschikking

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat binnen DEZHI niet is voorzien in de aanwijzing van waarnemers voor de functies van hoofden van individuele afdelingen, nu de werkzaamheden binnen de dienst zodanig worden ingepland dat bij afwezigheid van de afdelingshoofden, hun werkzaamheden onder verschillende medewerkers worden verdeeld. Nu klaagster niet door het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 26, eerste lid, van de Lma als waarnemer is benoemd, kan zij geen aanspraak maken op een waarnemingstoelage op grond van het tweede lid, van dit wetsartikel.

Het bezwaar en de beoordeling van de gronden daarvan

5. Klaagster heeft allereerst betoogd dat de bestreden beschikking niet door het bevoegde bestuursorgaan is genomen. Naar haar mening dient de beslissing omtrent toekenning van een waarnemingstoelage door de Gouverneur te worden genomen.

5.1

Dit betoog slaagt niet. Uit artikel 26, tweede lid, van de Lma volgt expliciet dat verweerder bevoegd is te beslissen over het al dan niet toekennen van een waarnemingstoelage. De Gouverneur is het bevoegd gezag omtrent het al dan niet aanstellen van een ambtenaar als waarnemer, doch dat was niet de strekking van het verzoek van klaagster noch de inhoud van de bestreden beslissing. Nu klaagster niet door het bevoegd gezag is benoemd tot waarnemer, kan zij ook geen aanspraak maken op een waarnemingstoelage. Benoeming tot waarnemer is, gelet op artikel 26, tweede lid, van de Lma, daarvoor immers een wettelijk vereiste.

5.2

Ten einde te bezien of er voor verweerder aanleiding bestond om het verzoek van klaagster mede te bezien als een verzoek, gericht tot de Gouverneur om haar als waarnemer te benoemen, is verweerder in de gelegenheid gesteld zich daarover schriftelijk uit te laten. Verweerder heeft dit gedaan, waarop door klaagster schriftelijk is gereageerd. Gelet op de uiteenzetting van verweerder is het gerecht van oordeel dat verweerder het verzoek van klaagster niet als zodanig hoefde aan te merken. Gezien de wijze waarop de waarneming van functies binnen DEZHI is geregeld, mocht verweerder zich op het standpunt stellen dat zich geen situatie voordoet dat “tot dat ambt niet meer ambtenaren zijn aangesteld, die het geheel of gedeeltelijk kunnen waarnemen”, zoals bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Lma. Evenmin acht het gerecht aannemelijk dat een (bijzonder) dienstbelang als bedoeld in evengenoemd artikellid vorderde dat klaagster door bevoegd gezag als waarnemer werd benoemd, gelet ook op de relatief korte periode waarop het verzoek van klaagster betrekking heeft. Dit wijst niet op een structurele behoefte aan een waarnemingschap, naast de gebruikelijk regeling van vervanging binnen DEZHI.

5.3

Het gerecht acht niet uitgesloten dat klaagster in de onderhavige periode taken heeft vervuld die haar normale werkzaamheden te boven gaan en mogelijk als een loffelijke dienstverrichting kunnen worden aangemerkt. Het indienen van een daartoe strekkend verzoek bij het bevoegd gezag (de Gouverneur) ligt daarvoor meer in de rede dan het verzoek om een waarnemingstoelage.

5.4

De conclusie is dat de door klaagster aangevoerde gronden van haar bezwaar niet kunnen leiden tot vernietiging van de bestreden beslissing. Het bezwaar is daarom ongegrond.

Overschrijding redelijke termijn

6. Het gerecht stelt vast dat de onderhavige uitspraak wordt gegeven meer dan twee jaar nadat het bezwaarschrift bij het gerecht is ingediend, welke omstandigheid aan het gerecht is toe te rekenen. Dit betekent in dit geval dat de redelijke termijn met ruim elf maanden is overschreden, hetgeen resulteert in de toekenning aan klaagster van een schadevergoeding van Afl. 1.000,-, te betalen door de minister belast met justitie.[_45329cd4-2e07-44c8-858d-df7d3c1edd21]

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het bezwaar ongegrond;

- veroordeelt de minister belast met justitie om aan klaagster een vergoeding van immateriële schade van Afl. 1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn te betalen.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in ambtenarenzaken, bijgestaan door mr. A. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:

  • als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak;
  • in de andere gevallen: binnen 30 dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

  • het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
  • een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
  • vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.