Uitspraak · Ambtenarenrecht
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 22 juli 2026
ECLI:NL:OGAACMB:2026:50Zaaknummer AUA202300035
- Instantie
- Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Publicatiedatum
- 24 augustus 2026
- Zaaknummer
- AUA202300035
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Ambtenarenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Maximale waardring_overschrijding redelijke termijn.
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het bezwaar ongegrond;
- veroordeelt de minister belast met justitie om aan klaagster een vergoeding van immateriële schade van Afl. 2.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn te betalen.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, ambtenarenrechter, bijgestaan door mr. A. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:
- als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak;
- in de andere gevallen: binnen 30 dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Uitspraak van 22 juli 2026
Gaza nr. AUA202300035
HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het bezwaar in de zin van de
Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:
[Klaagster],
wonende in Aruba,
KLAAGSTER,
gemachtigde: de advocaat mr. G.L. Griffith,
gericht tegen:
DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,
zetelende in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. V.M. Emerencia (DWJZ).
INLEIDING
Bij beschikking van 6 december 2022 (bestreden beschikking) heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van klaagster van 5 oktober 2018 om naar schaal 8 en naar schaal 9 te worden bevorderd.
Tegen de bestreden beschikking heeft klaagster op 6 januari 2023 bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft op 19 juni 2023 een contramemorie met producties ingediend.
Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 29 april 2024. Klaagster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd.
Vervolgens is de zaak verwezen naar de rol van 27 mei 2024 voor het nemen van een akte zijdens verweerder.
Klaagster heeft bij contra-akte van 1 juli 2024 haar reactie ingediend.
Hierna is de uitspraak bepaald op heden.
BEOORDELING
Wat is relevant om te weten?
Klaagster is als ambtenaar werkzaam bij de als ondersteunend medewerker in de afdeling Hoofd Onderwijskundige Zaken (HOZ).
Bij brief van 5 oktober 2018 heeft klaagster verzocht om haar te bevorderen met ingang van 1 november 2015 naar schaal 8 (rang: commies) en met ingang 1 november 2017 naar schaal 9 (rang: commies 1ste klasse).
Op 29 september 2022 heeft het Departamento Recurso Humano (DRH) geadviseerd het verzoek niet in te willigen omdat de functie van ondersteunend medewerker HOZ maximaal is gewaardeerd op schaal 7.
Bij de bestreden beschikking heeft verweerder overeenkomstig dit advies het verzoek afgewezen.
Wat is het standpunt van klaagster?
3. Aan het bezwaar heeft klaagster ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat de bestreden beschikking niet draagkrachtig gemotiveerd is. In de bestreden beschikking staat vermeld wat de gestelde bevorderingseisen zijn. De verzochte bevorderingen worden niet geweigerd wegens het niet voldoen aan de bevorderingseisen, maar op het gegeven dat de functie van ondersteunend medewerker HOZ maximaal is gewaardeerd op het niveau van schaal 7, waardoor klaagster niet bevorderd kan worden. Volgens klaagster kan de maximale waardering van een functie niet gelden als een weigeringsgrond. Zij voert – zakelijk weergegeven – verder aan dat de door klaagster vervulde functie, blijkens het organogram van de Directie Onderwijs, van een hoger niveau is dan de functies die zij in het verleden bij deze directie heeft vervuld en die ook maximaal zijn gewaardeerd op schaal 7. Dit betekent dat de waardering van klaagsters functie niet juist kan zijn en verweerder de gevraagde bevordering niet op de daarvoor gegeven grond had mogen weigeren, zo begrijpt het gerecht haar betoog. Ook voert klaagster aan dat er geen juiste belangenafweging is gemaakt omdat zij 42 jaren in overheidsdienst is en het in verband met haar pensioenopbouw van groot belang is dat zij alsnog wordt bevorderd.
Wat zegt de wet?
Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) geschieden aanstelling en bevordering, voor zover daaromtrent regelen zijn vastgesteld, overeenkomstig deze regelen.
Ingevolge artikel 4 van de Bezoldigingsregeling Aruba (BRA) dient een ambtenaar om in aanmerking te komen voor een bevordering te voldoen aan de in bijlage B opgenomen bevorderingseisen en voorts voor de vervulling van die betrekking geschikt en bekwaam te worden geacht.
Wat is het geschil?
6. In geschil is de vraag of verweerder terecht het verzoek van klaagster om bevorderd te worden naar de rang van commies (schaal 8) en commies 1ste klasse (schaal 9) heeft afgewezen.
Wat vindt het gerecht?
Het gerecht stelt voorop dat de bevoegdheid van verweerder om ambtenaren al dan niet te bevorderen discretionair van karakter is. Dit brengt met zich mee dat het gebruik van die bevoegdheid door het gerecht slechts terughoudend kan worden getoetst. Bij die toetsing dient het gerecht te beoordelen of verweerder na afweging van de betrokken belangen tot de bestreden beslissing mocht komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met enige rechtsregel of met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Vast staat dat klaagster sinds 1 januari 2016 de functie van ondersteunend medewerker HOZ vervult. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat deze functie maximaal is gewaardeerd op schaal 7 een door klaagster op 22 juni 2022 ondertekend functie-inventarisatieformulier (FIF) overgelegd, alsmede de schriftelijke uiteenzetting van de waardering van de zwaarte van haar functie op basis van het FIF. Klager heeft de juistheid van die waardering niet gemotiveerd weersproken. De verwijzing naar het organogram van de Directie Onderwijs is daarvoor onvoldoende. Doorslaggevend is de aard van de – in hoofdzaak ondersteunende – werkzaamheden waarmee klaagster is belast, niet de plaats in het organogram van de afdeling waarbinnen klaagster haar ondersteunende werkzaamheden verricht. Dit betekent dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de functie die klaagster vervult geen bevordering naar een rang, hoger dan schaal 7, rechtvaardigt. Nu klaagster dit schaalniveau reeds heeft bereikt, kan zij niet verder worden bevorderd. Klaagsters andersluidende betoog vindt geen steun in het recht. Dit betekent ook dat verweerder in het langdurige dienstverband van klaagster geen aanleiding behoefde te zien om haar desondanks te bevorderen.
De slotsom is dat, gelet op de maximale waardering van de functie van ondersteunend medewerker HOZ in schaal 7, het bevorderingsverzoek van klaagster naar schalen 8 en 9, op goede gronden is afgewezen. Het bezwaar van klaagster zal daarom ongegrond worden verklaard.
Overschrijding redelijke termijn
8. Het gerecht stelt vast dat de onderhavige uitspraak wordt gegeven meer dan twee jaar nadat het bezwaarschrift bij het gerecht is ingediend, welke omstandigheid aan het gerecht is toe te rekenen. Dit betekent in dit geval dat de redelijke termijn met ruim achttien maanden is overschreden, hetgeen resulteert in de toekenning aan klaagster van een schadevergoeding van Afl. 2.000,-, te betalen door de minister belast met justitie.[_932b9ae0-9f2b-434b-8da5-390d23a9e081]
9. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het bezwaar ongegrond;
- veroordeelt de minister belast met justitie om aan klaagster een vergoeding van immateriële schade van Afl. 2.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn te betalen.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, ambtenarenrechter, bijgestaan door mr. A. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:
- als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak;
- in de andere gevallen: binnen 30 dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.