Uitspraak · Ambtenarenrecht

Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 24 juni 2026

ECLI:NL:OGAACMB:2026:46Zaaknummer CUR202503825

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
20 augustus 2026
Zaaknummer
CUR202503825
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Ambtenarenrecht
Procedure
Bodemzaak, Eerste aanleg - enkelvoudig
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Het Gerecht is van oordeel dat sprake is van een met een beschikking gelijk te stellen weigering om te beschikken of handelen van de Regering op de ingebrekestelling en aanmaning van klager tot uitbetaling van achterstallig loon. De met een beschikking gelijk te stellen weigering om te beschikken of handelen wordt vernietigd. Het Gerecht ziet ter finale beslechting van het geschil aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Het Gerecht stelt op grond van artikel 86, tweede en derde lid, van de Rar de bruto loonaanspraak vast op een bedrag van Cg 417.963,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2025 tot de dag van de volledige betaling. Het Gerecht geeft voor dat bedrag een bevelschrift van tenuitvoerlegging af, dat van kracht wordt zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

Beslissing

Het Gerecht:

- verklaart het bezwaar van klager gegrond;

- vernietigt de weigering van de Regering om te beschikken of handelen op de ingebrekestelling zoals verwoord in de brief van klager van 17 juli 2025;

- stelt het verschuldigd achterstallig brutoloon van klager vast op Cg 417.963,-;

- veroordeelt de Regering om het achterstallig brutoloon van Cg 417.963,- aan klager te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2025 tot de dag van de volledige betaling;

- beveelt -vanaf het moment waarop deze uitspraak in kracht van gewijsde gaat- de tenuitvoerlegging ten laste van de Regering en ten gunste van klager van een bedrag van Cg 417.963,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2025 tot de dag van de volledige betaling;

- veroordeelt de Regering tot betaling aan klager van zijn proceskosten tot een bedrag van Cg 1.400,-.

Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de RvBAz van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz) Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;

- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;

- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Inleiding
  2. Beoordeling door het Gerecht
  3. Conclusie en gevolgen
  4. Beslissing
  5. Informatie over hoger beroep

GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO

Uitspraak

in de zaak van:

[klager],

wonende te Curaçao,

klager,

gemachtigde: mr. L.F. Delfgaauw,

tegen:

de Regering van Curaçao,

verweerster,

gemachtigden: mrs. S.I. Da Costa Gomez, A.M. Faria en C.A. Peterson.

Partijen worden in deze uitspraak hierna klager en de Regering genoemd.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het bezwaar van klager tegen het uitblijven van een beslissing of handelen van de Regering op zijn ingebrekestelling en aanmaning tot uitbetaling van achterstallig loon.

1.1

Klager heeft zijn bezwaarschrift ingediend op 17 september 2025.

1.2

De Regering heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen contramemorie ingediend.

1.3

Het Gerecht heeft het bezwaar op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Klager is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De Regering heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Da Costa Gomez.

1.4

Ter zitting heeft de gemachtigde van de Regering zich bereid verklaard om met de Regering te bespreken of een aanbod tot een minnelijke regeling mogelijk is en de uitkomst daarvan uiterlijk één week na de zitting aan klager en het Gerecht te berichten. Een bericht van de Regering is uitgebleven.

Beoordeling door het Gerecht

2. Het Gerecht komt tot het oordeel dat het bezwaar gegrond is.

2.1.

Het Gerecht heeft eerst stilgestaan bij de vraag of klager nog een keer kan opkomen tegen het uitblijven van een beschikking of handeling op een verzoek ter uitvoering van het benoemingsbesluit. Het Gerecht antwoordt die vraag bevestigend omdat het onderhavige verzoek van andere aard is dan het vorige verzoek en mede gelet op het tijdsverloop in deze zaak. Het bezwaar is ontvankelijk.

2.2.

Het Gerecht is van oordeel dat sprake is van een met een beschikking gelijk te stellen weigering om te beschikken of handelen van de Regering op de ingebrekestelling en aanmaning van klager tot uitbetaling van achterstallig loon. De met een beschikking gelijk te stellen weigering om te beschikken of handelen wordt vernietigd.

2.3.

Het Gerecht ziet ter finale beslechting van het geschil aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Het Gerecht stelt op grond van artikel 86, tweede en derde lid, van de Rar de bruto loonaanspraak vast op een bedrag van Cg 417.963,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2025 tot de dag van de volledige betaling. Het Gerecht geeft voor dat bedrag een bevelschrift van tenuitvoerlegging af, dat van kracht wordt zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

2.4.

Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Wat is relevant om te weten in deze zaak?

3. Het Gerecht gaat uit van de volgende feiten.

3.1.

Klager is een gepensioneerd ambtenaar. Bij landsbesluit van 24 maart 2021 (hierna: het benoemingsbesluit) is klager met ingang van 31 oktober 2011 benoemd in de functie Plaatsvervangend Directeur/ Beleid- en Juridisch Adviseur bij het Nationaal Centraal Bureau Interpol Curaçao. In het benoemingsbesluit is ook de bezoldiging van klager vastgesteld in schaal 16 vanaf 31 oktober 2011 tot en met het jaar 2021. Verder is in het benoemingsbesluit bepaald dat alle landsbesluiten en ministeriële beschikkingen die de rechtspositie van klager regelen vanaf 31 oktober 2011 door het benoemingsbesluit zijn gewijzigd. Per 1 december 2020 zal alleen de juiste inschaling van klager wordt rechtgetrokken. Het aan klager verschuldigd bedrag over de periode teruglopend tot 31 oktober 2011 zal na de eerste suppletoire begroting van 2021 worden uitbetaald, aldus het benoemingsbesluit.

3.2.

Op 30 juni 2022 heeft klager de Regering verzocht om uitvoering te geven aan het benoemingsbesluit en de verschuldigde bezoldiging te betalen. Omdat een beslissing of handeling van de Regering uitbleef, heeft klager op 30 juni 2023 bezwaar gemaakt. Het Gerecht heeft bij uitspraak van 21 augustus 2023 (CUR202205074) de weigering van de Regering om te handelen op het verzoek ter uitvoering van het benoemingsbesluit vernietigd en de Regering opgedragen binnen twee maanden na de datum van de uitspraak alsnog te beslissen op het verzoek.

3.3.

Bij uitspraak van 2 december 2024 (CUR202400009) heeft het Gerecht op grond van artikel 96 van de RAr een immateriële schadevergoeding van Cg 1.000,- aan klager toegekend, omdat de Regering nog geen uitvoering had gegeven aan de eerdere uitspraak van het Gerecht. Deze schadevergoeding is, na een aanmaning van klager van 18 juli 2025, op 19 februari 2026 door de Regering aan klager betaald. Tijdens de behandeling ter zitting in deze zaak heeft één van de gemachtigden van de Regering opgemerkt dat het verzoek van klager om uitvoering te geven aan het benoemingsbesluit waarschijnlijk afgewezen zal worden. De gemachtigde heeft verklaard dat de Raad van Ministers voornemens is de Raadsbeslissing van 27 juli 2026, waarbij het functieboek dat ten grondslag ligt aan het benoemingsbesluit is goedgekeurd, in te trekken. Als gevolg daarvan zal de Regering ook het benoemingsbesluit intrekken, aldus de gemachtigde.

3.4.

Klager heeft tegen die opmerking van de gemachtigde van de Regering bezwaar gemaakt. Het Gerecht heeft zich op 2 april 2025 (CUR202404519) onbevoegd verklaard om kennis te nemen van dat bezwaar, omdat de opmerking niet kan worden aangemerkt als een beschikking of handeling waartegen bezwaar open staat bij het Gerecht. Het Gerecht heeft ten overvloede benadrukt dat de Regering verplicht blijft uitvoering te geven aan de uitspraak van 21 augustus 2023.

3.5.

Bij brief van 17 juli 2025 heeft klager de Regering in gebreke gesteld en aangemaand om zijn gederfd brutoloon over de periode 31 oktober 2011 tot 1 december 2020 uit te betalen inclusief bruto vakantiegeld, gratificaties van ambtsjubilea en lumpsum-bedragen om de twee jaar in de maximale schaaltrede (hierna: de ingebrekestelling). Klager heeft de indexering per 2018, ook over de periode 1 december 2020 tot 1 januari 2023, in de berekening betrokken. Het totaalbedrag is Cg 417.963,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en incassokosten indien de Regering niet binnen de gestelde termijn van 14 dagen betaalt.

3.6.

Bij email van 7 augustus 2025 reageert mr. Peterson namens de Regering op de ingebrekestelling van klager en verzoekt om verlenging van de door klager gestelde termijn tot medio september 2025. De gemachtigde van klager bericht op 8 augustus 2025 dat de betalingstermijn wordt verlengd tot en met 31 augustus 2025. Op 21 augustus 2025 laat mr. Peterson aan de gemachtigde van klager weten dat eind augustus niet haalbaar is. Vervolgens heeft klager onderhavig bezwaar gemaakt.

Wat is het wettelijk kader?

4. De volgende wettelijke bepalingen zijn in deze zaak relevant.

4.1.

Artikel 35, eerste lid, van de RAr bepaalt -voor zover van belang- dat een bezwaarschrift kan worden ingediend tegen weigeringen om te beschikken of te handelen.

4.2.

Artikel 41, eerste lid, van de Rar schrijft kort gezegd voor dat het bezwaarschrift wordt ingediend binnen dertig dagen na de dag, waarop de aangevallen weigering uitgesproken is.

Artikel 41, tweede lid, van de Rar, bepaalt dat een orgaan wordt geacht de weigering tot het nemen van een beschikking of het verrichten van een handeling te hebben uitgesproken, indien het binnen de daarvoor bepaalde tijd, of waar een tijdsbepaling ontbreekt, binnen redelijke tijd een verplichte beschikking niet genomen of een verplichte handeling niet verricht heeft. In dit geval loopt de termijn van dertig dagen van de dag, waarop de weigering geacht wordt te zijn uitgesproken.

Kan klager nog een keer opkomen tegen het uitblijven van een beschikking of handeling op een verzoek ter uitvoering van het benoemingsbesluit?

5. De eerste vraag die het Gerecht moet beantwoorden is of klager na zijn eerdere bezwaar dat heeft geleid tot de uitspraak van het Gerecht van 21 augustus 2023 andermaal bezwaar kan maken tegen het uitblijven van een beschikking of handeling op een verzoek ter uitvoering van het benoemingsbesluit. Het Gerecht beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende. Het verzoek van 17 juli 2025 bevat, anders dan het verzoek van 30 juni 2022, een ingebrekestelling en een aanmaning. Bovendien is aan de ingebrekestelling een concrete berekening van het achterstallig loon ten grondslag gelegd. Daarbij neemt het Gerecht het tijdsverloop tussen de twee verzoeken in aanmerking. Het Gerecht concludeert dat het bezwaar van klager ontvankelijk is.

Is sprake van een weigering om te beschikken?

6. De volgende vraag die aan het Gerecht voorligt is of sprake is van een weigering om te beschikken op de ingebrekestelling.

6.1.

Het Gerecht stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (de Raad)[_2e708115-576d-4140-94f0-c02caa8b485e] bij gebreke van een wettelijke beslistermijn een weigering om te beschikken ontstaat na verloop van een periode tussen de vier maanden en een jaar na het indienen van een verzoek om een beschikking. Deze termijn is afhankelijk van de ingewikkeldheid van het verzoek en de bekendheid van het beschikkend orgaan met de desbetreffende materie.

6.2.

Het Gerecht stelt vast dat ten tijde van de indiening van het bezwaar twee maanden waren verstreken sinds de ingebrekestelling. Tussen partijen is in geschil de vraag of in afwijking van genoemde rechtspraak een weigering om te beschikken al kan ontstaan na verloop van een kortere periode dan vier maanden na de ingebrekestelling. Klager vindt dat in dit geval de beslistermijn 14 dagen is, gelijk aan de vervaltermijn die is gesteld in de ingebrekestelling. De Regering heeft het standpunt van klager betwist en erop gewezen dat het niet aan klager is om zelf de beslistermijn te bepalen.

6.3.

Het Gerecht is van oordeel dat het in beginsel niet zo is dat een burger de beslistermijn van een bestuursorgaan bepaalt. In dit geval is echter sprake van een lange voorgeschiedenis waarin klager heeft getracht om de Regering te bewegen tot uitvoering van het benoemingsbesluit. Verder is de aanmaning tot uitbetaling van het achterstallig loon niet complex en wordt de berekening van het verschuldigd bedrag door de Regering erkend. Ook blijkt uit de mailwisseling tussen klager en de Regering die volgde op de ingebrekestelling, dat de Regering van de door klager gestelde beslistermijn van 14 dagen is uitgegaan omdat de Regering om uitstel daarvan vroeg. Onder deze omstandigheden is het Gerecht van oordeel dat de in de ingebrekestelling vermelde termijn 14 dagen heeft te gelden als beslistermijn. Deze beslistermijn is op verzoek van de Regering door klager verlengd tot en met 31 augustus 2025. Dat betekent dat de bezwaartermijn is gaan lopen vanaf 1 september 2025 en dat klager zijn bezwaarschrift tijdig heeft ingediend.

6.4.

De Regering heeft -voor zover bekend aan het Gerecht- nog steeds niet beslist of gehandeld op de ingebrekestelling. Het Gerecht is van oordeel dat sprake is van een weigering te beschikken of te handelen op de ingebrekestelling. De verklaring van de Regering ter zitting van 3 juni 2026 dat zij bezig is met de voorbereiding van de intrekking van het benoemingsbesluit omdat de onderliggende functiewaardering onjuist is, maakt dit oordeel niet anders. Voor zover de Regering bedoelt te stellen dat zij in verband met een voorgenomen intrekking is ontslagen van de verplichting om te beslissen of te handelen, volgt het Gerecht de Regering daarin niet. De Regering blijft ongeacht het voornemen tot intrekking van het benoemingsbesluit gehouden om te beslissen of te handelen op de ingebrekestelling.

6.5.

Het bezwaar is daarom gegrond en de weigering te beschikken of te handelen op de ingebrekestelling zal worden vernietigd.

Kan het Gerecht zelf in de zaak voorzien?

7. Het Gerecht ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het benoemingsbesluit is inmiddels ruim vijf jaar oud en de Regering heeft ondanks meerdere uitspraken van het Gerecht niet beslist op verzoeken van klager om het benoemingsbesluit uit te voeren. Het Gerecht ziet er daarom geen heil in om de Regering op te dragen alsnog te beslissen of te handelen op de ingebrekestelling ter uitvoering van het benoemingsbesluit.

7.1.

De volgende wettelijke bepalingen zijn in deze relevant.

Artikel 86, eerste lid, van de RAr luidt: de rechter kan enkel de aangevallen beschikkingen, handelingen of weigeringen nietig verklaren en voor zover nodig, bepalen, dat het administratief orgaan zal doen of beschikken hetgeen het ingevolge wettelijke regeling doen of beschikken moet.

Artikel 86, tweede lid, van de RAr bepaalt dat de rechter de beschikking zelf in zijn uitspraak kan vaststellen indien de te nemen beschikking een geldelijke aanspraak betreft.

Artikel 86, derde lid, van de RAr bepaalt dat de rechter bovendien het orgaan welks handeling vernietigd wordt, tot vergoeding aan de ambtenaar veroordelen, indien er daartoe termen zijn en het bezwaarschrift een daartoe strekkende vordering inhoudt.

Artikel 88, eerste lid, van de RAr bepaalt dat de rechter het bedrag der schadevergoeding, in de voorgaande artikelen bedoeld, bij uitspraak vaststelt.

Artikel 88, tweede lid, van de RAr bepaalt dat de rechter daarvoor, zodra de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een bevelschrift van tenuitvoerlegging afgeeft.

Artikel 88, derde lid, van de RAr bepaalt dat de rechter, zodra de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een bevelschrift van tenuitvoerlegging afgeeft voor het bedrag, overeenkomstig artikel 86, tweede lid, vastgesteld.

7.2.

Het Gerecht stelt vast dat klager op grond van het benoemingsbesluit een aanspraak heeft op achterstallig loon. Klager heeft een berekening gemaakt van het (geïndexeerde) achterstallig brutoloon met bijbehorende componenten zoals vakantiegeld, gratificaties van ambtsjubilea en lumpsum-bedragen in de maximale schaaltrede tot een totaalbedrag van Cg 417.963, -. De Regering heeft tijdens de zitting erkend dat, indien het tot uitvoering van het benoemingsbesluit zou komen, deze berekening en het totaalbedrag juist zijn.

7.3.

Met toepassing van artikel 86, tweede en derde lid, van de RAr stelt het Gerecht de geldelijke bruto loonaanspraak van klager vast op Cg 417.963,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van verschuldigdheid tot de dag van de volledige betaling. Als dag van aanvang van de verschuldigdheid van de wettelijke rente hanteert het Gerecht de datum waarop de Regering op grond van de ingebrekestelling in verzuim was, te weten 1 augustus 2025.

7.4.

Gelet op het verloop in deze zaak en de onwilligheid van de Regering om tot uitvoering van het benoemingsbesluit over te gaan, zal het Gerecht op grond van artikel 88, tweede en derde lid, van de RAr, een bevelschrift van tenuitvoerlegging afgeven voor het bedrag van Cg 417.963,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2025 tot de dag van de volledige betaling. Dat bevelschrift van tenuitvoerlegging wordt van kracht zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

7.5.

Voor zover klager heeft verzocht om vergoeding van de incassokosten, te weten 2,5% van Cg 417.963,-, wijst het Gerecht dat verzoek af. Klager heeft onvoldoende onderbouwd dat daadwerkelijk en in redelijkheid kosten zijn gemaakt. De brief waarin de Regering in gebreke is gesteld kan naar het oordeel van het Gerecht worden begrepen onder de werkzaamheden waarvoor een proceskostenveroordeling wordt uitgesproken.

Conclusie en gevolgen

8. Het bezwaar is gegrond. De weigering te beschikken of te handelen op de ingebrekestelling zal worden vernietigd. Het Gerecht ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het Gerecht stelt de aanspraak van klager op achterstallig brutoloon vast op een bedrag van Cg 417.963,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2025 tot de dag van de volledige betaling. Het Gerecht geeft voor dat bedrag een bevelschrift van tenuitvoerlegging af, dat van kracht wordt zodra de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

9. Omdat het bezwaar gegrond is ziet het Gerecht aanleiding om, met overeenkomstige toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, de Regering te veroordelen in de proceskosten van klager. Deze vergoeding wordt bepaald op Cg 1.400,- (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, waarde per punt Cg 700,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

Het Gerecht:

- verklaart het bezwaar van klager gegrond;

- vernietigt de weigering van de Regering om te beschikken of handelen op de ingebrekestelling zoals verwoord in de brief van klager van 17 juli 2025;

- stelt het verschuldigd achterstallig brutoloon van klager vast op Cg 417.963,-;

- veroordeelt de Regering om het achterstallig brutoloon van Cg 417.963,- aan klager te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2025 tot de dag van de volledige betaling;

- beveelt -vanaf het moment waarop deze uitspraak in kracht van gewijsde gaat- de tenuitvoerlegging ten laste van de Regering en ten gunste van klager van een bedrag van Cg 417.963,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2025 tot de dag van de volledige betaling;

- veroordeelt de Regering tot betaling aan klager van zijn proceskosten tot een bedrag van Cg 1.400,-.

Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de RvBAz van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz) Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;

- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;

- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.