Uitspraak · Ambtenarenrecht

Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 30 maart 2026

ECLI:NL:OGAACMB:2026:40Zaaknummer CUR202404416

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
CUR202404416
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Ambtenarenrecht
Procedure
Bodemzaak, Eerste aanleg - enkelvoudig
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Feitelijke beëindiging waarneming. De directeur van het ORV was niet bevoegd om klager met waarneming te belasten noch om deze te beëindigen. De Regering heeft echter niet betwist dat klager de functie feitelijk heeft waargenomen en heeft deze waarneming voor een deel van de periode alsnog bij landsbesluit geformaliseerd. Voor de periode na 30 juni 2023 ontbreekt een besluit. Het bezwaar wordt gegrond verklaard en de feitelijke beëindiging wordt vernietigd. De Regering wordt opgedragen een gemotiveerd besluit te nemen over de vraag of klager ook na 30 juni 2023 met de waarneming van de functie wordt belast en, zo ja, voor welke periode.

Beslissing

Het Gerecht in Ambtenarenzaken:

  • verklaart het bezwaar van klager gegrond;
  • vernietigt de feitelijke beëindiging van de waarneming door klager van de functie van Sectormanager Algemene Opleidingen bij het ORV;
  • draagt de Regering op om binnen drie maanden bij schriftelijke, gemotiveerde beslissing aan klager kenbaar te maken of hij ook na 30 juni 2023 wordt belast met de waarneming van de functie van Sectormanager Algemene Opleidingen bij het ORV, en zo ja, in die beslissing ook vast te leggen wat de duur van de waarnemingsperiode is;
  • veroordeelt de Regering tot betaling aan klager van zijn proceskosten tot een bedrag van Cg 1.400,- geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier, P.N.F. Pereira do Tanque.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:

  • als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak;
  • in de andere gevallen: binnen 30 dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

  • het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
  • een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
  • vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Inleiding
  2. Overwegingen
  3. Conclusie en gevolgen
  4. Beslissing
  5. Informatie over hoger beroep

GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO

uitspraak

in de zaak van:

[Klager],

wonende in Curaçao,

verzoeker,

gemachtigde: A.V.E. Vilchez,

tegen

de Regering van Curaçao,

verweerster,

hierna: de Regering,

gemachtigde: mr. S.M. Concincion-Quirindongo.

Inleiding

1.1

Het Gerecht beoordeelt in deze uitspraak het bezwaar van klager tegen de feitelijke beëindiging ingaande 31 oktober 2024 van de waarneming van de functie van Sectormanager Algemene Opleidingen bij het Opleidingsinstituut Rechtshandhaving & Veiligheidszorg (ORV), waarmee de directeur van het ORV hem heeft belast.

1.2

Klager heeft op 22 november 2024 bezwaar (CUR202404416) gemaakt tegen de stopzetting van zijn waarneming en tegelijkertijd bij het Gerecht verzocht om een beslissing bij voorraad (CUR202404415). Het Gerecht heeft op 8 januari 2025 uitspraak gedaan op het verzoek om een beslissing bij voorraad en het verzoek daarbij afgewezen.

1.3

De zaak is op 17 november 2025 ter zitting behandeld. Klager is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens de Regering is haar gemachtigde verschenen. Het onderzoek is geschorst om de Regering in de gelegenheid te stellen aanvullende stukken in te dienen.

1.4

De Regering heeft op 25 februari 2026 stukken ingediend.

1.5

Het Gerecht heeft vervolgens, met toestemming van partijen, bij e-mailbericht van 26 maart 2026 het onderzoek gesloten en de uitspraak bepaald op heden.

Overwegingen

2. Het Gerecht beoordeelt in deze uitspraak de feitelijke beëindiging van de waarneming door klager van de functie van Sectormanager Algemene Opleidingen bij het ORV. De directeur van het ORV (de directeur) heeft klager opgedragen om die functie waar te nemen om vervolgens aan klager mee te delen dat die waarneming met ingang van 31 oktober 2024 ten einde komt.

3. Het Gerecht komt tot het oordeel dat, hoewel de directeur niet bevoegd was om klager met de waarneming te belasten en evenmin om deze te beëindigen, de Regering niet heeft betwist dat klager de functie feitelijk heeft waargenomen. De Regering heeft dit voor een deel van de door klager gestelde waarnemingsperiode ook geformaliseerd en aangegeven dat over de resterende periode nog een besluit wordt genomen. Het Gerecht ziet onder deze omstandigheden aanleiding om het bezwaar gegrond te verklaren en de Regering op te dragen een gemotiveerd besluit te nemen over de vraag of klager voormelde functie ook vanaf 1 juli 2023 heeft waargenomen. Het Gerecht legt hierna uit hoe het tot dit oordeel is gekomen.

Wat is van belang om te weten in deze zaak?

4.1

Klager is aangesteld als politieambtenaar en benoemd in de functie van vuurwapendocent bij het ORV.

4.2

De directeur heeft bij een schriftelijke bekendmaking van 1 februari 2022 aangekondigd dat klager met ingang van 1 januari 2022 tot nader bericht de functie van Chef Initiële Opleidingen (lees: Sectormanager Algemene Opleidingen) zal waarnemen.

4.3

Op 23 oktober 2024 heeft bij het ORV een gesprek plaatsgevonden met klager, waarbij onder andere de directeur aanwezig was. Tijdens dit gesprek heeft de directeur aan klager meegedeeld dat zijn waarneming als Chef Initiële Opleidingen zal worden beëindigd.

4.4

Vervolgens heeft de directeur de bekendmaking van 1 februari 2022, bij bekendmaking van 24 oktober 2024, ingetrokken met ingang van 31 oktober 2024. Daarbij is aangekondigd dat klager zou worden teruggeplaatst in de functie van vuurwapendocent.

4.5

Klager heeft in een brief van 28 oktober 2024 uiteengezet wat volgens hem allemaal is gebeurd met betrekking tot zijn waarneming en heeft de minister verzocht om met spoed daarover te oordelen.

4.6

Klager is vervolgens bij landsbesluit van 15 januari 2026, met ingang van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022, belast met de waarneming van de functie van Sectormanager Algemene Opleidingen bij het ORV. Bij ministeriële beschikking van 28 januari 2026 is aan klager voor die periode een waarnemingstoelage van Cg 601,- per maand toegekend.

4.7

Bij landsbesluit van 21 januari 2026 is klager voor de periode van 1 januari 2023 tot en met 30 juni 2023 belast met de waarneming van dezelfde functie. Bij ministeriële beschikking van 4 februari 2026 is ook voor deze periode een waarnemingstoelage van Cg 601,- per maand aan hem toegekend.

Welke wettelijke bepalingen zijn van toepassing?

5.1

Op grond van het eerste lid van artikel 35 van de RAr, kan een bezwaarschrift worden ingediend ter zake dat beschikkingen, handelingen of weigeringen (om te beschikken of te handelen), ten aanzien van een ambtenaar als zodanig, zijn nagelaten betrekkingen of rechtverkrijgende door een administratief orgaan genomen, verricht of uitgesproken, feitelijk of rechtens met de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften strijden of dat bij het nemen, verrichten of uitspreken daarvan het administratief orgaan van zijn bevoegdheid kennelijk een ander gebruik heeft gemaakt dan tot de doeleinden, waarvoor die bevoegdheid is gegeven.

5.2

Op grond van het eerste lid van artikel 22 van het Besluit rechtspositie Korps Politie Nederlandse Antillen 2000 (BrKPNA) geldt dat indien de uitvoering van een taak continuïteit in de uitoefening van een functie vereist en geen andere politieambtenaar is aangesteld die deze taak geheel of gedeeltelijk kan waarnemen, of indien het dienstbelang zulks vordert, de daarvoor in aanmerking komende ambtenaar door het bevoegd gezag wordt belast met de tijdelijke waarneming van de functie. Dit kan plaatsvinden al dan niet met ontheffing uit zijn eigenlijke functie.

Wat zijn de standpunten van partijen en wat vindt het Gerecht daarvan?

6. Volgens de Regering betreft de in overweging 4.3 vermelde bekendmaking slechts een door de directeur gedane mededeling. Omdat niet de directeur, maar uitsluitend de Regering bevoegd is om ambtenaren te belasten met de waarneming van een functie, is deze mededeling niet op rechtsgevolg gericht. Daarom vormt de bekendmaking geen beschikking zoals bedoeld in de RAr, en meent de Regering dat het bezwaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

7. Het Gerecht volgt de Regering hier niet in. Het Gerecht begrijpt het bezwaar van klager zo, dat het is gericht tegen de feitelijke stopzetting van zijn waarneming, en niet tegen de bekendmaking zelf. Zoals volgt uit het eerste lid, van artikel 35, van de RAr kan tegen handelingen die de rechtspositie van een ambtenaar raken bezwaar worden gemaakt bij het Gerecht. De feitelijke beëindiging van de waarneming van klager door de directeur is een dergelijke handeling. Het Gerecht is dan ook bevoegd om van het bezwaar kennis te nemen.

8. Klager is het niet eens met de beëindiging van zijn waarneming. Ten eerste stelt hij dat de redenen die hem tijdens het gesprek van 23 oktober 2024 voor de beëindiging zijn meegedeeld, niet kloppen. Daarnaast voert klager aan dat de waarneming zonder voorafgaande waarschuwing of onderbouwing is beëindigd, terwijl hij de functie al meer dan twee jaar en tien maanden had waargenomen. Volgens klager is door deze beëindiging bovendien gehandeld in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.

9.1

Het Gerecht stelt voorop dat in deze procedure uitsluitend de feitelijke beëindiging van de waarneming van klager aan de orde is. Dit betekent dat het Gerecht de in overwegingen 4.6 en 4.7 genoemde landsbesluiten en ministeriële beschikkingen in deze procedure niet inhoudelijk kan beoordelen. Indien klager het niet eens is met deze beslissingen, staat het hem vrij daartegen rechtsmiddelen aan te wenden.

9.2

Gezien artikel 22, van het BrKPNA is de Regering het bevoegd gezag als het gaat om het belasten van politieambtenaren met de waarneming van een andere functie. Het Gerecht stelt vast dat klager in eerste instantie door de directeur en niet door de Regering is belast met de waarneming van de functie Sectormanager Algemene Opleidingen. Zonder een waarnemingsbesluit van de Regering kan in beginsel geen sprake zijn van waarneming.

9.3

De Regering heeft echter desgevraagd ter zitting niet betwist dat klager de functie van Sectormanager Algemene Opleidingen ondanks het ontbreken van een daartoe strekkend waarnemingsbesluit heeft waargenomen. Namens de Regering is ter zitting ook verklaard dat er besluiten ter formalisering van de waarneming worden voorbereid. Vervolgens heeft de Regering voor de periode van 1 januari 2022 tot en met 30 juni 2023 alsnog waarnemingsbesluiten geslagen en daarmee de waarneming voor die periode geformaliseerd ondanks dat de waarneming naar aanleiding van een onbevoegdelijk genomen besluit van de directeur is aangevangen. Bij het toesturen van deze besluiten aan het Gerecht heeft de Regering bovendien meegedeeld dat een inhoudelijke beslissing over het jaar 2024 wordt voorbereid en dat naar verwachting op korte termijn een besluit zal worden genomen over die periode. Voor de periode na 30 juni 2023 is nog geen besluit genomen. Uit het voorgaande volgt echter dat het thans niet is uitgesloten dat de Regering ook ten aanzien van die periode tot de conclusie zal komen dat klager de functie feitelijk heeft waargenomen en de waarneming alsnog zal formaliseren middels een waarnemingsbesluit. Onder deze omstandigheden ziet het Gerecht in dit geval aanleiding om uit te gaan van een feitelijke waarneming van voornoemde functie door klager die feitelijk door de directeur, die daartoe niet bevoegd was, is stopgezet zonder een deugdelijke motivering daarvan. Al gelet daarop zal het Gerecht de feitelijke beëindiging van de waarneming vernietigen en de Regering opdragen een gemotiveerde beslissing te nemen over de vraag of klager ook na juli 2023 wordt belast met de waarneming van de functie van Sectormanager Algemene Opleidingen bij het ORV, en zo ja, voor welke periode.

Conclusie en gevolgen

10. Uit het voorgaande volgt dat het bezwaar gegrond zal worden verklaard. Dit betekent echter niet dat de waarneming van klager zonder meer is doorgegaan na 30 juni 2023. De Regering als zijnde het bevoegd gezag zal bij een gemotiveerd besluit een beslissing moeten nemen hierover en zal dan ook daartoe worden opgedragen.

11. Het Gerecht ziet aanleiding om, met overeenkomstige toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, de Regering te veroordelen in de proceskosten van klager. De proceskosten stelt het Gerecht vast op Cg 1.400,- te weten 2 punten à Cg 700,- (1 punt voor het bijwonen van de zitting en 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift).

Beslissing

Het Gerecht in Ambtenarenzaken:

  • verklaart het bezwaar van klager gegrond;
  • vernietigt de feitelijke beëindiging van de waarneming door klager van de functie van Sectormanager Algemene Opleidingen bij het ORV;
  • draagt de Regering op om binnen drie maanden bij schriftelijke, gemotiveerde beslissing aan klager kenbaar te maken of hij ook na 30 juni 2023 wordt belast met de waarneming van de functie van Sectormanager Algemene Opleidingen bij het ORV, en zo ja, in die beslissing ook vast te leggen wat de duur van de waarnemingsperiode is;
  • veroordeelt de Regering tot betaling aan klager van zijn proceskosten tot een bedrag van Cg 1.400,- geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier, P.N.F. Pereira do Tanque.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:

  • als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak;
  • in de andere gevallen: binnen 30 dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

  • het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
  • een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
  • vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.