Uitspraak · Strafrecht
Hoge Raad, 23 juni 2026
ECLI:NL:HR:2026:995Zaaknummer 23/04411
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 23 juni 2026
- Publicatiedatum
- 23 juni 2026
- Zaaknummer
- 23/04411
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Medeplegen voorbereidingshandelingen grootschalige hennepteelt, art. 11a jo. 11.5 Opiumwet. Bewijsklacht bestemming van voorwerpen. Heeft verdachte stoffen en voorwerpen voorhanden gehad waarvan hij en zijn medeverdachte ernstige reden hadden te vermoeden dat zij “bestemd waren tot” plegen van een van de in art. 11.5 Opiumwet strafbaar gestelde feiten? Om redenen vermeld in HR:2026:994 slaagt middel. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 23/04412.
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04411
Datum 23 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 november 2023, nummer 21-004804-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M. Broere bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring voor zover deze inhoudt dat de verdachte stoffen en voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij en zijn medeverdachte ernstige reden hadden te vermoeden dat zij ‘bestemd waren tot’ het plegen van een van de in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 23/04412, ECLI:NL:HR:2026:994.
3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2026.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2026:395 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:PHR:2026:395 Parket bij de Hoge Raad, 14 april 2026 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.