Uitspraak · Strafrecht
Hoge Raad, 27 oktober 2026
ECLI:NL:HR:2026:1716Zaaknummer 25/00108
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/00108
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Artikel 81 RO-zaken, Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Feitelijk leiding geven aan opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting en loonbelasting, meermalen gepleegd (art. 69.2 AWR), eendaadse samenloop van opzettelijk niet voeren van een bij belastingwet verplichte administratie (art. 69.1 jo. 68.1.d AWR) en valsheid in geschrift (art. 225.1 Sr), begaan door rechtspersoon, en gewoontewitwassen van geldbedragen (art. art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr). 1. Niet ondertekende en niet gedateerde bijlage met bewijsmiddelen. Is sprake van aanvulling bewijsmiddelen a.b.i. art. 365a.2 Sv? 2. Post-Keskin, getuige weet antwoord op vragen van verdediging niet meer. Gebruik van getuigenverklaringen voor bewijs, gewicht van verklaringen en compenserende factoren. Kon hof oordelen dat verklaringen van getuige niet als “sole or decisive” kunnen worden aangemerkt en bestaan er voldoende compenserende factoren om verklaringen van getuige voor bewijs te gebruiken zonder schending van recht op eerlijk proces? 3. Bewijsklacht. Innerlijke tegenstrijdigheid bewijsvoering. 4. Verweer strekkende tot (partiële) nietigverklaring van dagvaarding wegens te onduidelijke tll. t.z.v. (inkoop)facturen, creditnota’s of andere documenten, art. 358.3 Sv. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/04456 en met 24/04270 (niet gepubliceerd; geen schriftuur ingediend, verdachte n-o).
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 oktober 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00108
Datum 27 oktober 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 november 2024, nummer 23-002934-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.S. Nan bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 oktober 2026.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2026:814 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3102 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:PHR:2026:814 Parket bij de Hoge Raad, 15 september 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3102 Gerechtshof Amsterdam, 8 november 2024 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.