Uitspraak · Belastingrecht

Hoge Raad, 18 september 2026

ECLI:NL:HR:2026:1511Zaaknummer 26/00946

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18 september 2026
Publicatiedatum
18 september 2026
Zaaknummer
26/00946
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Cassatie
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
  2. 2 Proceskosten
  3. 3 Beslissing

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 26/00946

Datum 18 september 2026

ARREST

op het door [X] (hierna: belanghebbende), vertegenwoordigd door G. Veldhuisen, ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 20 januari 2026, nr. 24/3465.

1 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

1.1

Het via het webportaal van de Hoge Raad ontvangen beroepschrift in cassatie bevat, hoewel artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb dit vereist, niet de gronden van het beroep. De griffier van de Hoge Raad heeft op 8 april 2026 in het digitale dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld dat verzuim binnen zes weken na die datum te herstellen. Die termijn eindigde op 20 mei 2026. Van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in het digitale dossier van belanghebbende is eveneens op 8 april 2026 een kennisgeving verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Op grond hiervan neemt de Hoge Raad aan dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, lid 2, Awb, op 8 april 2026.

1.2

Op 21 mei 2026 heeft de Hoge Raad via het webportaal een brief van belanghebbende ontvangen met daarin de gronden van het beroep. Als reden voor het te laat indienen van deze brief heeft belanghebbende aangegeven dat hij op 20 mei 2026 heeft geprobeerd de brief via het webportaal in te dienen, maar dat dit door een storing niet is gelukt. Uit onderzoek door de Hoge Raad is gebleken dat zich op 20 mei 2026 geen storing in het webportaal heeft voorgedaan. Aangezien de brief na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend en de reden die belanghebbende heeft gegeven voor het te laat indienen niet kan leiden tot de conclusie dat de te late indiening verschoonbaar is, laat de Hoge Raad dit stuk buiten beschouwing. Daarom zal de Hoge Raad het beroep in cassatie met toepassing van artikel 6:6 Awb niet-ontvankelijk verklaren.

2 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.