Uitspraak · Strafrecht
Hoge Raad, 6 januari 2026
ECLI:NL:HR:2026:11Zaaknummer 24/00765
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 6 januari 2026
- Publicatiedatum
- 6 januari 2026
- Zaaknummer
- 24/00765
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Artikel 81 RO-zaken, Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Faillissementsfraude. Medeplegen bedrieglijke bankbreuk door als bestuurder van rechtspersoon (reisbureau) schuldeisers te bevoordelen (art. 343.3 (oud) Sr), gelden aan boedel te onttrekken (art. 343.1 (oud) Sr) en niet te voldoen aan zijn administratieplicht (art. 343.4 (oud) Sr). 1. Bewijsklacht bestuurder. Kon verdachte in bewezenverklaarde periode als bestuurder worden aangemerkt? 2. Bewijsklacht “ter bedrieglijke verkorting van rechten van schuldeisers van rechtspersoon” en opzet. Kon hof oordelen dat verdachte heeft gehandeld ter bedrieglijke verkorting van rechten van schuldeisers, nu uit ‘s hofs vaststellingen blijkt dat hij heeft getracht faillissement van reisbureau te voorkomen of er om andere redenen vanuit ging dat faillissement niet zou intreden? 3. Bewijsklacht niet voldoen aan zijn administratieplicht. Kan uit bewijsvoering volgen dat verdachte zelf geen volledige administratie van reisbureau heeft overgelegd dan wel deze gedraging heeft medegepleegd? 4. Bewijsklacht niet voldoen aan zijn administratieplicht. Is deel van bewezenverklaring t.a.v. niet overleggen van volledige administratie van reisbureau strijdig met ‘s hofs vaststelling dat ontoereikende administratie is gevoerd? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/00750.
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 januari 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00765
Datum 6 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 februari 2024, nummer 23-001909-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 januari 2026.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHAMS:2024:352 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
- ECLI:NL:PHR:2025:1118 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:PHR:2025:1118 Parket bij de Hoge Raad, 14 oktober 2025 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.