Uitspraak · Strafrecht
Hoge Raad, 13 januari 2026
ECLI:NL:HR:2026:1Zaaknummer 24/02475
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 13 januari 2026
- Publicatiedatum
- 13 januari 2026
- Zaaknummer
- 24/02475
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, art. 300.2 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht en (putatief) noodweer, art. 41.1 Sr. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Volgens hof is het gelet op de door verdachte bij hof afgelegde verklaring niet aannemelijk dat hij aangeefster sloeg omdat er sprake zou zijn van ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en evenmin van dreiging daartoe. Daarbij gaat hof er gelet op verklaringen van verdachte vanuit dat hij sloeg “omdat hij vond dat aangeefster hem provoceerde en niet uit zijn kamer wilde gaan”. Met deze overwegingen brengt hof in voldoende mate tot uitdrukking dat door verdediging aangevoerde feitelijke toedracht van klap het beroep op noodweer niet kan doen slagen. Van een voor meerdere uitleg vatbare overweging is zodoende geen sprake. In ’s hofs overwegingen besloten liggend oordeel dat door verdachte gestelde provocatie door aangeefster en het door haar niet uit kamer willen gaan, niet dergelijke aanranding oplevert, is niet onbegrijpelijk. Hetzelfde geldt voor ’s hofs oordeel dat opzettelijke uithaal om genoemde reden haaks staat op situatie waarin kan worden gesproken van verontschuldigbare dwaling aan zijde van verdachte over bestaan van “aanranding” a.b.i. art. 41 Sr. Verwerping van beroep op (putatief) noodweer is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02475
Datum 13 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 juni 2024, nummer 21-002788-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat T. de Heer bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van de tenlastegelegde mishandeling, en in het bijzonder over de verwerping door het hof van het beroep op noodweer.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.
3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2026.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2025:1154 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:PHR:2025:1154 Parket bij de Hoge Raad, 4 november 2025 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.