Uitspraak · Strafrecht
Hoge Raad, 24 juni 2025
ECLI:NL:HR:2025:988Zaaknummer 23/00343
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 24 juni 2025
- Publicatiedatum
- 24 juni 2025
- Zaaknummer
- 23/00343
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Artikel 81 RO-zaken, Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Mishandeling met zwaar lichamelijk letsel als gevolg, art. 300.2 Sr. 1. Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid OM en schending van recht op laatste woord. 2. Schending van recht op eigendom a.b.i. art. 1 Eerste Protocol bij EVRM. 3. Bewijsklacht “zwaar lichamelijk letsel” en waardering van getuigenverklaringen. 4. Noodweer(exces), art. 41.1 en 41.2 Sr. 5. Vorderingen benadeelde partijen t.z.v. materiële schade (rechtstreeks verband) en immateriële schade (art. 6:101 BW). HR: art. 81.1 RO.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juni 2025.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00343
Datum 24 juni 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 18 januari 2023, nummer 20-000560-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat N. Assouiki bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft de advocaat D. Marcus een verweerschrift ingediend.
De plaatsvervangend advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van 50 uren, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juni 2025.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHSHE:2023:169 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
- ECLI:NL:PHR:2025:431 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:PHR:2025:431 Parket bij de Hoge Raad, 15 april 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:169 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 januari 2023 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.