Uitspraak · Strafrecht

Hoge Raad, 13 mei 2025

ECLI:NL:HR:2025:718Zaaknummer 22/03936

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13 mei 2025
Publicatiedatum
13 mei 2025
Zaaknummer
22/03936
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie, Cassatie in het belang der wet
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Medeplegen witwassen van geldbedrag door € 13.000 voorhanden te hebben in kelderbox, art. 420bis.1.b Sr. Bewijsklacht “afkomstig uit eigen misdrijf”. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid dat verdachte het geldbedrag door handel in heroïne heeft verkregen? HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Oordeel hof dat verdachte in kelderbox aangetroffen geld door handel in heroïne en daarmee uit eigen misdrijf heeft verkregen, is niet begrijpelijk. Door hof gebruikte bewijsmiddelen hebben betrekking op omstandigheden waaronder geldbedrag is aangetroffen. Deze omstandigheden zijn op zichzelf ontoereikend voor ’s hofs oordeel dat aangetroffen geld afkomstig is uit verdachtes eigen handel in heroïne. ’s Hofs bewijsvoering houdt verder ook niets in over deze, door hof veronderstelde, handel van verdachte. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing.

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging (met inbegrip van de verbeurdverklaring);

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 mei 2025.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Procesverloop in cassatie
  2. 2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
  3. 3 Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
  4. 4 Beslissing

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/03936

Datum 13 mei 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 14 oktober 2022, nummer 22-003450-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D. Bektesevic bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van witwassen van een geldbedrag van € 13.000.

2.2

De klacht slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.1 tot en met 3.5 en 3.9 tot en met 3.12.

3 Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van de cassatiemiddelen voor het overige niet nodig.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging (met inbegrip van de verbeurdverklaring);

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 mei 2025.

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.