Uitspraak · Strafrecht
Hoge Raad, 15 april 2025
ECLI:NL:HR:2025:571Zaaknummer 22/04946
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 15 april 2025
- Publicatiedatum
- 15 april 2025
- Zaaknummer
- 22/04946
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Artikel 81 RO-zaken, Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Medeplegen diefstal d.m.v. braak uit bedrijfspand (art. 311.1.4 en 311.1.5 Sr). Verweer t.a.v. handelen in strijd met art. 126jj Sv en art. 5 Besluit vaststelling nadere regels vastleggen en bewaren kentekengegevens, bij doorzoeking van auto n.a.v. melding in ANPR-systeem, nu bij ANPR gebruik is gemaakt van foto’s waarop bijrijder herkenbaar is. HR: art. 81.1 RO.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2025.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04946
Datum 15 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 december 2022, nummer 21-001476-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van elf weken volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2025.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2025:291 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:PHR:2025:291 Parket bij de Hoge Raad, 11 maart 2025 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.