Uitspraak · Strafrecht
Hoge Raad, 14 januari 2025
ECLI:NL:HR:2025:57Zaaknummer 23/04434
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 14 januari 2025
- Publicatiedatum
- 15 januari 2025
- Zaaknummer
- 23/04434
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Artikel 81 RO-zaken, Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Caribische zaak. OM-cassatie en cassatie verdachte. Vrijspraak t.z.v. moord en veroordeling t.z.v. doodslag door in 2021 in Curaçao van korte afstand 6 kogels af te vuren op hoofd en hals van ander (art. 2:259 SrC). 1. Cassatie verdachte. Geen schriftuur. 2. OM-cassatie. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt t.a.v. voorbedachte raad, art. 402.2 SvC. Ad 1. Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Ad 2. HR: art. 81.1 RO.
De Hoge Raad
- verklaart het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk;
- verwerpt het beroep van het openbaar ministerie.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 januari 2025.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04434 C
Datum 14 januari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 21 september 2023, nummer H 151/22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
De beroepen zijn ingesteld door de verdachte en het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsman van de verdachte, S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat in Arnhem, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep van de verdachte
De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de verdachte een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet in behandeling kan nemen (zie artikel 437 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering).
3. Beoordeling van het cassatiemiddel dat door het openbaar ministerie is voorgesteld
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4 Beslissing
De Hoge Raad
- verklaart het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk;
- verwerpt het beroep van het openbaar ministerie.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 januari 2025.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2024:1173 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:PHR:2024:1173 Parket bij de Hoge Raad, 5 november 2024 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.