Uitspraak · Strafrecht
Hoge Raad, 4 november 2025
ECLI:NL:HR:2025:1630Zaaknummer 23/02228
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 4 november 2025
- Publicatiedatum
- 4 november 2025
- Zaaknummer
- 23/02228
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Artikel 81 RO-zaken, Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Rijden onder invloed van MDMA (art. 8.5 WVW 1994) en gevaar op de weg veroorzaken door met hoge snelheid vanaf linkerrijstrook plotseling naar rechts te sturen om afrit te nemen en tegen rimpelbuisobstakelbeveiliger en vangrail aan te rijden (art. 5 WVW 1994). 1. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudende dat bloedonderzoek is uitgevoerd door forensische arts, art. 359.2 Sv. 2. Uos inhoudende dat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt voor gevaar op de weg veroorzaken, art. 359.2 Sv. HR: art. 81.1 RO.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 november 2025.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02228
Datum 4 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 5 juni 2023, nummer 22-001625-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat B. Kizilocak bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van 30 uren en de geheel voorwaardelijke geldboete van € 850 volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 november 2025.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2025:992 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHDHA:2023:3002 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:PHR:2025:992 Parket bij de Hoge Raad, 16 september 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:3002 Gerechtshof Den Haag, 5 juni 2023 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.