Uitspraak · Strafrecht
Hoge Raad, 4 april 2023
ECLI:NL:HR:2023:498Zaaknummer 18/02441
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 4 april 2023
- Publicatiedatum
- 4 april 2023
- Zaaknummer
- 18/02441
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Drugslab in woning. Aanwezig hebben van cocaïne (art. 2.C Opiumwet) en voorbereidingshandelingen m.b.t. bewerken van cocaïne (art. 10a.1.3 jo. 10.4 jo. 2.B Opiumwet) door bewoner/huurder van woning. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten, alternatief scenario en wetenschap van bewoner/huurder van woning. HR: Feitenrechter beslist wat hij van beschikbaar bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. Deze beslissingen over selectie en waardering van bewijsmateriaal hoeven niet te worden gemotiveerd, behalve in bijzondere gevallen. Bij beoordeling van beschikbaar bewijsmateriaal kan feitenrechter betekenis toekennen aan onder meer onderlinge samenhang van bewijsmateriaal en mate waarin bewijsmateriaal steun vindt in ander bewijsmateriaal. In cassatie kan HR onderzoeken of conclusies van feitelijke aard, die feitenrechter heeft getrokken uit feiten en omstandigheden die in bewijsmiddelen zijn vastgesteld, begrijpelijk zijn. Om redenen vermeld in CAG faalt middel. CAG: Hof heeft alternatief scenario (familielid van verdachte heeft goederen na vertrek van verdachte uit woning binnen woning gebracht) wegens ongeloofwaardigheid verworpen. Dit betekent dat in ’s hofs overwegingen besloten liggende uitgangspunt (iemand die bewoner/huurder is van woning weet wat zich daarin afspeelt en maakt zich reeds daarom schuldig maakt aan opzettelijk aanwezig hebben van de in woning aangetroffen cocaïne, stoffen en voorwerpen) kan worden gevolgd. Daarmee ligt in ‘s hofs bewijsconstructie besloten dat verdachte degene was die goederen en voorwerpen aanwezig/voorhanden heeft gehad. Volgt verwerping.
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze acht maanden en twee weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 april 2023.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/02441
Datum 4 april 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 april 2018, nummer 23/002907-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat de duur van de opgelegde straf betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel moet het volgende worden vooropgesteld. De rechter die over de feiten oordeelt, beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren, behalve in bijzondere gevallen. Bij de beoordeling van het beschikbare bewijsmateriaal kan de feitenrechter betekenis toekennen aan onder meer de onderlinge samenhang van dit bewijsmateriaal en de mate waarin bewijsmateriaal steun vindt in ander bewijsmateriaal. In cassatie kan de Hoge Raad onderzoeken of de conclusies van feitelijke aard, die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld, begrijpelijk zijn.
Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 tot en met 11.
3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze acht maanden en twee weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 april 2023.
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHAMS:2018:1427 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
- ECLI:NL:PHR:2023:396 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBNNE:2026:4150 Rechtbank Noord-Nederland, 1 oktober 2026 (materieel strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2026:3446 Rechtbank Noord-Nederland, 13 augustus 2026 (materieel strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1110 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 23 april 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2026:27 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 8 januari 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2025:11817 Rechtbank Gelderland, 30 september 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2025:11909 Rechtbank Gelderland, 18 september 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1448 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 23 mei 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1266 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24 april 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1159 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 23 april 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2025:641 Parket bij de Hoge Raad, 1 april 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:774 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 maart 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2025:23 Parket bij de Hoge Raad, 7 januari 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2024:941 Parket bij de Hoge Raad, 24 september 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2024:5554 Rechtbank Amsterdam, 6 september 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2495 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2 augustus 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1261 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10 april 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:926 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 maart 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:927 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 maart 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:4335 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 december 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3064 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20 september 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2023:396 Parket bij de Hoge Raad, 14 februari 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:1427 Gerechtshof Amsterdam, 24 april 2018 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.